Prefabs in taalproductie en -verwerking

    Project: Research project

    Description

    Het vermogen van sprekers om een oneindig aantal zinnen van hun taal te kunnen produceren of begrijpen, wordt doorgaans verklaard door twee strikt gescheiden taalcomponenten aan te nemen: een algemene, regelgebaseerde procedurele component (de mentale grammatica), en een onregelmatige, niet-generaliseerbare declaratieve component (het mentale lexicon, in wat verder volgt zal morfologische regelmatigheid (syntax below zero) verder buiten beschouwing worden gelaten). Kort gezegd: een spreker kent de woorden van zijn taal, en weet hoe die aaneen te smeden tot grote gehelen: constituenten en zinnen. De productie en parsing van zinnen is vanuit dit idee modelleerbaar als een subtiele interactie tussen computatie (grammatica) en memorisatie (lexicon). De welbekende spreekmodellen van Kempen en Hoenkamp (1987) en Levelt (1989) of de parseertheorie van Gorrel (1995) zijn geheel vanuit deze gedachte ontwikkeld.

    De laatste jaren echter wint steeds meer het inzicht terrein dat een substantieel deel van onze alledaagse taaluitingen niet zozeer geproduceerd/geparseerd worden op de bovenbeschreven wijze, maar daarentegen �whole from store' worden gememoriseerd; dit ondanks het feit dat ze op het oog geheel analyseerbaar zijn, en zich geheel regelmatig gedragen. Lingu�stische eenheden die hiervan deel uitmaken worden doorgaans �prefabs', �geprefabriceerde uitingen' of �gefixeerde expressies' genoemd. Een voorlopige definitie luidt derhalve: een gefixeerde expressie is een continue of discontinue, (deels) gefixeerde sequentie van woorden of andere betekeniselementen die als geheel opgeslagen/opgehaald wordt in/vanuit het geheugen tijdens het gebruik van die uiting.

    Gefixeerde expressies spelen niet alleen een belangrijke rol in het alledaagse taalgebruik, maar hun bestaan kan ook een bijzonder licht te werpen op de vraag hoe kennis van een taal mentaal is gerepresenteerd. Gefixeerde expressies lijken eerder holistisch te worden verwerkt/geproduceerd, dan dat ze resulteren van(uit) een woord-voor-woord analyse, zoals de eerdergenoemde modellen vooronderstellen. Dit gegeven heeft verstrekkende gevolgen voor de strikte scheiding tussen lexicon en grammatica, en voor de aanname van volledige analyseerbaarheid van uitingen (de tot voor kort enige uitzondering die hierop gemaakt is betreft idiomen). De implicatie ervan is immers dat het lexicon eenheden zou bevatten die groter zijn dan afzonderlijke woorden, maar eveneens dat er �grammatica' in het lexicon aanwezig is, dus daar waar modellen als de eerdergenoemden het nu juist willen weghouden. Ook impliceert het, dat het taalsysteem principieel redundant is: gefixeerde uitingen komen vrijelijk voor naast de regels waarmee die uitingen gevormd kunnen worden (het is tevens op dit punt dat gefixeerde expressies verschillen van idiomen).

    Om kort te gaan: het bestaan van gefixeerde expressies impliceert dat de strikte scheiding tussen lexicon en grammatica herzien moet worden, een idee dat expliciet is verwoord door Ray Jackendoff: "the boundary between lexicon and rules of grammar begins to blur. Along with Fillmore & Kay (1993) and in some sense Langacker (1987), one might even want to view the core rules of phrase structure for a language as maximally underspecified constructional idioms. (...) A strict separation of lexicon and grammar (...) may prove to be but a methodological prejudice." (Jackendoff 1995). De kwestie is echter zeker nog niet afgedaan. Anderen namelijk lijken aan zo'n �strict separation' onverkort vast te willen houden: "(...) �word-chain-devices' (which are (...) lists of words (or prefabricated phrases) and a set of directions for going from list to list) are not just a bit suspicious; they are deeply, fundamentally, the wrong way to think how human language works" (Pinker 1994, 93).

    Het onderhavige project gaat uit van de assumptie dat gefixeerde expressies een significant deel uitmaken van hetgeen sprekers van hun taal kennen. Volgens meer en minder formele schattingen (Erman & Warren 2000, Jackendoff 1995) zou 50 tot 70% van ons alledaagse taalgebruik een gefixeerd, of deels gefixeerd karakter hebben. Verder is de assumptie dat een beter begrip van de wijze waarop sprekers ze representeren en aanwenden voor gebruik een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van cognitieve theorieen van talige kennis. De centrale doelstelling van het project is derhalve die bijdrage metterdaad te leveren. Belangrijke aanzetten tot zulke theorievorming zijn onder anderen: Goldberg 1995, Kuiper 1996, Schilperoord 1999. De relevante theoretische omgeving van het project bestaat derhalve met name uit Langackers Cognitieve Grammatica, Jackendoff's Triple-theorie van het mentale lexicon, en Goldbergs en Fillmore's Constructie-grammatica. Vier vragen staan centraal:

    - Hoe kunnen gefixeerde expressies worden ge�dentificeerd?
    - Hoe kan het bestaan van gefixeerde expressies als deel van het lexicon beschreven en geanalyseerd worden?
    - Hoe is de interactie tussen �memorisatie' en �computatie' nader te karakteriseren?
    - Welke effecten hebben gefixeerde expressies op het proces van taalproductie en - begrip?

    Voorwaarde voor het onderzoeken van de rol van gefixeerde expressies is (uiteraard) dat we op betrouwbare wijze in staat zijn een gefixeerde expressie te onderscheiden van een �nieuwe' expressie. Voorstellen daartoe zijn inmiddels gedaan (Erman & Warren 2000), en zullen nader uitgewerkt worden. Dit voornemen motiveert derhalve de eerste projectdoelstelling.

    De tweede en derde doelstelling worden getracht te realiseren op basis van, respectievelijk, analytisch corpusonderzoek, en vanuit bestaande theorievorming terzake. Ten aanzien van de derde vraag wordt een voorstel gedaan in Schilperoord & Verhagen (t.v.). Het zwaartepunt van het project ligt echter op de vierde vraag: de cognitieve processignificantie van gefixeerde expressies. Afgezien namelijk van de communicatieve voordelen van (het gebruik van) gefixeerde expressies (Schilperoord 1999, Wray & Perkins 2000), zijn er eveneens proces-voordelen denkbaar. Gefixeerde expressies hebben het voordeel dat de spreker niet telkens hoeft te gaan �(...) through the labour of generating an utterance all the way from �S' every time we want to say something.' (Becker 1975).

    Het primaire doel van het project is om op experimentele wijze na te gaan in hoeverre inderdaad sprake is van zulke �processing benefits'. Bijvoorbeeld: als gefixeerde expressies inderdaad als eenheid deel uitmaken van het mentale lexicon, dan zouden zulke eenheden zich moeten gedragen als elke andere cognitief-schematische routine: gerelateerde onderdelen van die expressie roepen dan elkaar op tijdens het gebruik/de verwerking ervan. In dit opzicht valt daarom te verwachten dat de verwerking/productie van gefixeerde expressies overeenkomsten vertoont met die van idiomen.

    Uit experimenteel onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat zodra taalgebruikers in de gaten hebben met een idioom van doen te hebben, dit het proces van verwerking sterk faciliteert. Dit effect viel bijvoorbeeld op te maken uit afnemende naming-latencies voor identieke woorden in een idioom- versus een non-idioomongeving. De experimentele technieken die zullen worden aangewend om zulke mogelijke faciliterende effecten te traceren zijn onder meer: continueringstaken, zinsbouwtaken, klinker-monitoringtaken en woordnoem of -verificatietaken. Tevens kan gedacht worden aan het aanwenden van technieken die zijn gebaseerd op schaduwtaakuitvoering. Als de verwerking van gefixeerde expressies inderdaad de gehypothetiseerde proces-voordelen biedt, zou het effect daarvan waarneembaar moeten zijn op het uitvoeren van een schaduwtaak (klikmonitoring) tijdens de verwerking van zulke expressies.
    StatusFinished
    Effective start/end date1/01/011/01/04