Strategieën in interactie

  • Huls, H.A., (Researcher)

    Project: Research project

    Description

    De taal- en de taalgedragswetenschap hebben tot nu toe enkele universele theorie�n opgeleverd. Meer specifiek zijn voor het hier voorgestelde project twee van deze theorie�n van belang: de theorie van de indirecte spreekhandelingen (Searle 1998) en de beleefdheidstheorie (Brown & Levinson 1987). Deze theorie�n staan niet los van elkaar: Searles notie �indirectheid' neemt een belangrijke plaats in in de beleefdheidstheorie van Brown en Levinson, al is de notie �beleefdheid' ruimer dan de notie �indirectheid'. Het is dus
    mogelijk deze theorie�n in inhoudelijk opzicht op elkaar te betrekken. Qua empirische basis echter zijn ze behoorlijk verschillend.

    In de spreekhandelingstheorie speelt via introspectie verkregen materiaal een belangrijke rol; de beleefdheidstheorie is in hoofdzaak gebaseerd op via antropologisch veldwerk verkregen materiaal uit niet-westerse landen, terwijl aanvullend gebruik gemaakt is van bij de onderzoekers aanwezige kennis van de Engelse taal en cultuur. In beide theorie�n worden universaliteitsclaims gemaakt: centrale onderdelen worden geacht geldig te zijn voor alle talen, culturen en gesprekscontexten. Een interessante vraag is nu in hoeverre de theoretische claims gebonden zijn aan het specifieke materiaal waaruit ze voortkomen. Deze vraag staat in het onderzoek centraal.

    Er wordt met een ander type materiaal gewerkt, namelijk mondeling interactief taalgebruik. Dit materiaal is doorgaans �spontaan' (dat wil zeggen: niet uitgelokt). Dat betekent dat de
    onderzoeker van tevoren geen of weinig reductie heeft aangebracht in het aantal variabelen dat een rol speelt. Het is dus relatief complex, maar juist ook daardoor een goede �test
    case' voor de theorie�n. De doelstelling van het project is nu om op basis van spontaan mondeling interactief taalmateriaal na te gaan in hoeverre universaliteitsclaims van bestaande theorie�n stand houden, dan wel veranderd moeten worden in de richting van meer sociale, contextuele en situationele variabiliteit.

    Meer concreet richt het onderzoek zich bijvoorbeeld op de stelling van Brown en Levinson dat de keuze van een specifieke taalstrategie uit het hi�rarchisch geordende scala aan mogelijkheden universeel afhankelijk is van een drietal factoren uit de niet-lingu�stische context: de machtsverhouding tussen de spreker en de geadresseerde, de sociale afstand tussen hen en de inbreuk die de spreker met de spreekhandeling doet in het domein van de geadresseerde. In het geval van een ondergeschiktheid van de spreker aan de geadresseerde, een grote sociale afstand en een zware inbreuk zal gekozen worden voor een taalstrategie die relatief hoog in de indirectheidshi�rarchie en de beleefdheidshi�rarchie staat. Als de spreker macht heeft over de geadresseerde en als de sociale afstand en de inbreuk klein zijn, dan kan de spreker direct zijn.

    Deze stelling wordt in spontaan mondeling interactief taalmateriaal van mensen met verschillende sociale identiteiten (mannen en vrouwen, mensen van verschillende etniciteit en/of sociale klasse) onderzocht. Het is de vraag of in Brown en Levinsons eenvoudige en spaarzame model voldoende rekenschap wordt afgelegd van de variatie die mensen
    vertonen in �gender' of �sociale achtergrond'.

    Een andere stelling die in het voorgenomen onderzoek zal worden getoetst aan mondeling interactief taalmateriaal is Searles stelling dat mensen de indirecte betekenis van uitingen reconstrueren nadat ze de �letterlijke' betekenis hebben vastgesteld. Op grond van contextfactoren zouden mensen - ongeacht ontwikkelingsfase, waar ook ter wereld - besluiten dat de eerste letterlijke betekenis niet aannemelijk is en vervolgens een tweede, meer indirecte betekenis reconstrueren. Met andere woorden: indirect taalgebruik volgt
    op direct taalgebruik.

    In een op mondeling interactief taalmateriaal van kinderen en hun verzorgers gebaseerde alternatieve opvatting (Ervin-Tripp) wordt die volgorde ter discussie gesteld. De twee
    interpretatieprocessen - dat van de uiting en dat van de context - vinden niet sequentieel plaats, maar simultaan. Het voorgenomen onderzoek beoogt een bijdrage te leveren aan de
    opheldering van deze controverse tussen de sequenti�le en de simultane opvatting.

    In empirisch opzicht wordt gebruik gemaakt van taalmateriaal van jonge kinderen. Dat is bij uitstek geschikt voor onderzoek naar de hierboven aangeduide controverse over de volgorde. In de prelinguale fase is er nauwelijks sprake van uitingen, terwijl de context voor het kind zeer waarschijnlijk tot het hier en nu beperkt is. Als de sequenti�le opvatting juist is, zullen kinderen in de eerste fase van hun taalontwikkeling korte, lingu�stisch directe uitingen produceren. Deze directe uitingen zullen in een later stadium van de ontwikkeling gevolgd worden door lingu�stisch en cognitief complexere indirecte uitingen.

    Als de simultane opvatting geldt, zullen de aanvankelijke uitingen voor een deel direct zijn, maar ook voor een groot deel lingu�stisch indirect, waarbij de lingu�stisch indirecte uitingen in de situatie �duidelijk' en �direct' kunnen zijn (bijvoorbeeld een kreet). De gespreksdeelnemers construeren een betekenis op grond van �tekst' en �context' tegelijk. Als de simultane opvatting voor de interpretatieprocessen van jonge kinderen geldt, is het vervolgens interessant om de ontwikkeling te bestuderen: maakt het simultane proces op latere leeftijd plaats voor en sequentieel proces, of is het zo dat Searles sequenti�le opvatting niet alleen voor jonge kinderen, maar meer algemeen moet worden herzien?

    Doordat taalmateriaal van jonge kinderen gebruikt wordt, is het mogelijk het onderzoek te laten aansluiten bij het internationaal tot ontwikkeling gekomen CHILDES-project (MacWhinney1995).

    Uit de context waarin het materiaal verzameld is, vloeien telkens bepaalde maatschappelijke toepassingen voort. De analyse van het kindertaalcorpus kan bijvoorbeeld uitwijzen dat er sociale verschillen tussen kinderen zijn. Die verschillen zijn van belang voor de inrichting van het onderwijs: inzicht daarin kan gebruikt worden om de sociale ongelijkheid te verminderen.

    De analyse van het interculturele materiaal is bijvoorbeeld van belang voor de maatschappelijke discussie over de multiculturele samenleving: de cultuurverschillen blijken wellicht op het micro-niveau van de alledaagse interactie veel minder groot dan in de maatschappelijke discussie naar voren komt. Inzicht in de overeenkomsten tussen culturen kan een belangrijke basis zijn voor een meer harmonieus cultuurcontact.
    StatusFinished
    Effective start/end date1/01/011/01/04