Geen codificatie van doelmatigheid in het belastingrecht. Grafrede voor een doodgeboren kindje

J.L.M. Gribnau, R.J. Ruesink

Research output: Contribution to journalArticleScientific

Abstract

Doelmatigheidsoverwegingen spelen reeds lang een rol ter wille van de praktische uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de belastingwet. Codificatie van deze praktijk kan tot formalistisch denken en verstarring leiden. Art. 64, lid 3, AWR zou slechts een deel van de bestaande jurisprudentie codificeren, voor een groot deel van de afspraken zou dus het bestaande recht blijven gelden. Alleen in het grijze gebied tussen wel en niet contra legem werd de nadruk op een ander criterium gelegd. Waar de Hoge Raad beslist op basis van de mate van strijdigheid met de wet, gebruikte de staatssecretaris daarnaast doelmatigheid als uitgangspunt. Doelmatigheid gebruikte de staatssecretaris als reden om contra legem-afspraken te legaliseren via wetgeving. Dit contra legem-criterium ging verder dan een doelmatige uitvoering, die al in de Doorbraakarresten door de Hoge Raad is aanvaard. Er was daarom geen sprake van codificatie, maar van modificatie. De staatssecretaris overrulede met dit wetsvoorstel de jurisprudentie van de Hoge Raad ten behoeve van zijn eigen politieke doelstellingen. Doordat de staatssecretaris een ander uitgangspunt had dan de Hoge Raad, werd een groot aantal afspraken niet meer mogelijk. Door art. 64 AWR zou dus toch het een en ander veranderen. Het was echter niet de oplossing voor contra legemafspraken, zoals de staatssecretaris het presenteerde. Na alle Geen codificatie van doel-matigheid in het belastingrecht nr. 4 – juli 2007 11 Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht ophef over Vinkenslag en contra legem-afspraken beloofde de staatssecretaris een groot onderzoek. Als reactie hierop werd het wetsvoorstel ‘Versterking Fiscale Rechtshandhaving’ gepresenteerd, met name art. 64, lid 3, AWR. Door middel van art. 64 AWR zouden contra legem-afspraken niet integraal worden aangepakt. Het artikel bood de Belastingdienst de mogelijkheid om alsnog een deel van de contra legem-afspraken te mogen maken, alleen dan legaal. Het lijkt erop dat de staatssecretaris art. 64 AWR heeft willen presenteren als de oplossing en als bewijs dat er iets aan het onjuiste beleid werd gedaan. Deze vorm van overacting is ongewenst. Onzes inziens biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende ruimte. Het contra legem-beleid van de Belastingdienst was hiermee deels in strijd. Het is goed dat de staatssecretaris dit met de jurisprudentie strijdige handelen heeft aangepakt. Hij had dit kunnen doen door de Belastingdienst goede instructies te geven met de jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt. Helaas koos hij voor wetgeving; dit middel schoot zijn doel voorbij. Gelukkig heeft de volksvertegenwoordiging uiteindelijk de invoering van art. 64 AWR voorkomen.
Original languageDutch
Pages (from-to)5-11
Number of pages7
JournalTijdschrift voor Formeel Belastingrecht
Volume9
Issue number4
Publication statusPublished - 2007

Cite this

@article{2feefc13b7164c1c9e34866f55c893de,
title = "Geen codificatie van doelmatigheid in het belastingrecht. Grafrede voor een doodgeboren kindje",
abstract = "Doelmatigheidsoverwegingen spelen reeds lang een rol ter wille van de praktische uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de belastingwet. Codificatie van deze praktijk kan tot formalistisch denken en verstarring leiden. Art. 64, lid 3, AWR zou slechts een deel van de bestaande jurisprudentie codificeren, voor een groot deel van de afspraken zou dus het bestaande recht blijven gelden. Alleen in het grijze gebied tussen wel en niet contra legem werd de nadruk op een ander criterium gelegd. Waar de Hoge Raad beslist op basis van de mate van strijdigheid met de wet, gebruikte de staatssecretaris daarnaast doelmatigheid als uitgangspunt. Doelmatigheid gebruikte de staatssecretaris als reden om contra legem-afspraken te legaliseren via wetgeving. Dit contra legem-criterium ging verder dan een doelmatige uitvoering, die al in de Doorbraakarresten door de Hoge Raad is aanvaard. Er was daarom geen sprake van codificatie, maar van modificatie. De staatssecretaris overrulede met dit wetsvoorstel de jurisprudentie van de Hoge Raad ten behoeve van zijn eigen politieke doelstellingen. Doordat de staatssecretaris een ander uitgangspunt had dan de Hoge Raad, werd een groot aantal afspraken niet meer mogelijk. Door art. 64 AWR zou dus toch het een en ander veranderen. Het was echter niet de oplossing voor contra legemafspraken, zoals de staatssecretaris het presenteerde. Na alle Geen codificatie van doel-matigheid in het belastingrecht nr. 4 – juli 2007 11 Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht ophef over Vinkenslag en contra legem-afspraken beloofde de staatssecretaris een groot onderzoek. Als reactie hierop werd het wetsvoorstel ‘Versterking Fiscale Rechtshandhaving’ gepresenteerd, met name art. 64, lid 3, AWR. Door middel van art. 64 AWR zouden contra legem-afspraken niet integraal worden aangepakt. Het artikel bood de Belastingdienst de mogelijkheid om alsnog een deel van de contra legem-afspraken te mogen maken, alleen dan legaal. Het lijkt erop dat de staatssecretaris art. 64 AWR heeft willen presenteren als de oplossing en als bewijs dat er iets aan het onjuiste beleid werd gedaan. Deze vorm van overacting is ongewenst. Onzes inziens biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende ruimte. Het contra legem-beleid van de Belastingdienst was hiermee deels in strijd. Het is goed dat de staatssecretaris dit met de jurisprudentie strijdige handelen heeft aangepakt. Hij had dit kunnen doen door de Belastingdienst goede instructies te geven met de jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt. Helaas koos hij voor wetgeving; dit middel schoot zijn doel voorbij. Gelukkig heeft de volksvertegenwoordiging uiteindelijk de invoering van art. 64 AWR voorkomen.",
author = "J.L.M. Gribnau and R.J. Ruesink",
note = "Pagination: 7",
year = "2007",
language = "Dutch",
volume = "9",
pages = "5--11",
journal = "Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht",
issn = "1389-9112",
number = "4",

}

Geen codificatie van doelmatigheid in het belastingrecht. Grafrede voor een doodgeboren kindje. / Gribnau, J.L.M.; Ruesink, R.J.

In: Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht, Vol. 9, No. 4, 2007, p. 5-11.

Research output: Contribution to journalArticleScientific

TY - JOUR

T1 - Geen codificatie van doelmatigheid in het belastingrecht. Grafrede voor een doodgeboren kindje

AU - Gribnau, J.L.M.

AU - Ruesink, R.J.

N1 - Pagination: 7

PY - 2007

Y1 - 2007

N2 - Doelmatigheidsoverwegingen spelen reeds lang een rol ter wille van de praktische uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de belastingwet. Codificatie van deze praktijk kan tot formalistisch denken en verstarring leiden. Art. 64, lid 3, AWR zou slechts een deel van de bestaande jurisprudentie codificeren, voor een groot deel van de afspraken zou dus het bestaande recht blijven gelden. Alleen in het grijze gebied tussen wel en niet contra legem werd de nadruk op een ander criterium gelegd. Waar de Hoge Raad beslist op basis van de mate van strijdigheid met de wet, gebruikte de staatssecretaris daarnaast doelmatigheid als uitgangspunt. Doelmatigheid gebruikte de staatssecretaris als reden om contra legem-afspraken te legaliseren via wetgeving. Dit contra legem-criterium ging verder dan een doelmatige uitvoering, die al in de Doorbraakarresten door de Hoge Raad is aanvaard. Er was daarom geen sprake van codificatie, maar van modificatie. De staatssecretaris overrulede met dit wetsvoorstel de jurisprudentie van de Hoge Raad ten behoeve van zijn eigen politieke doelstellingen. Doordat de staatssecretaris een ander uitgangspunt had dan de Hoge Raad, werd een groot aantal afspraken niet meer mogelijk. Door art. 64 AWR zou dus toch het een en ander veranderen. Het was echter niet de oplossing voor contra legemafspraken, zoals de staatssecretaris het presenteerde. Na alle Geen codificatie van doel-matigheid in het belastingrecht nr. 4 – juli 2007 11 Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht ophef over Vinkenslag en contra legem-afspraken beloofde de staatssecretaris een groot onderzoek. Als reactie hierop werd het wetsvoorstel ‘Versterking Fiscale Rechtshandhaving’ gepresenteerd, met name art. 64, lid 3, AWR. Door middel van art. 64 AWR zouden contra legem-afspraken niet integraal worden aangepakt. Het artikel bood de Belastingdienst de mogelijkheid om alsnog een deel van de contra legem-afspraken te mogen maken, alleen dan legaal. Het lijkt erop dat de staatssecretaris art. 64 AWR heeft willen presenteren als de oplossing en als bewijs dat er iets aan het onjuiste beleid werd gedaan. Deze vorm van overacting is ongewenst. Onzes inziens biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende ruimte. Het contra legem-beleid van de Belastingdienst was hiermee deels in strijd. Het is goed dat de staatssecretaris dit met de jurisprudentie strijdige handelen heeft aangepakt. Hij had dit kunnen doen door de Belastingdienst goede instructies te geven met de jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt. Helaas koos hij voor wetgeving; dit middel schoot zijn doel voorbij. Gelukkig heeft de volksvertegenwoordiging uiteindelijk de invoering van art. 64 AWR voorkomen.

AB - Doelmatigheidsoverwegingen spelen reeds lang een rol ter wille van de praktische uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de belastingwet. Codificatie van deze praktijk kan tot formalistisch denken en verstarring leiden. Art. 64, lid 3, AWR zou slechts een deel van de bestaande jurisprudentie codificeren, voor een groot deel van de afspraken zou dus het bestaande recht blijven gelden. Alleen in het grijze gebied tussen wel en niet contra legem werd de nadruk op een ander criterium gelegd. Waar de Hoge Raad beslist op basis van de mate van strijdigheid met de wet, gebruikte de staatssecretaris daarnaast doelmatigheid als uitgangspunt. Doelmatigheid gebruikte de staatssecretaris als reden om contra legem-afspraken te legaliseren via wetgeving. Dit contra legem-criterium ging verder dan een doelmatige uitvoering, die al in de Doorbraakarresten door de Hoge Raad is aanvaard. Er was daarom geen sprake van codificatie, maar van modificatie. De staatssecretaris overrulede met dit wetsvoorstel de jurisprudentie van de Hoge Raad ten behoeve van zijn eigen politieke doelstellingen. Doordat de staatssecretaris een ander uitgangspunt had dan de Hoge Raad, werd een groot aantal afspraken niet meer mogelijk. Door art. 64 AWR zou dus toch het een en ander veranderen. Het was echter niet de oplossing voor contra legemafspraken, zoals de staatssecretaris het presenteerde. Na alle Geen codificatie van doel-matigheid in het belastingrecht nr. 4 – juli 2007 11 Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht ophef over Vinkenslag en contra legem-afspraken beloofde de staatssecretaris een groot onderzoek. Als reactie hierop werd het wetsvoorstel ‘Versterking Fiscale Rechtshandhaving’ gepresenteerd, met name art. 64, lid 3, AWR. Door middel van art. 64 AWR zouden contra legem-afspraken niet integraal worden aangepakt. Het artikel bood de Belastingdienst de mogelijkheid om alsnog een deel van de contra legem-afspraken te mogen maken, alleen dan legaal. Het lijkt erop dat de staatssecretaris art. 64 AWR heeft willen presenteren als de oplossing en als bewijs dat er iets aan het onjuiste beleid werd gedaan. Deze vorm van overacting is ongewenst. Onzes inziens biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende ruimte. Het contra legem-beleid van de Belastingdienst was hiermee deels in strijd. Het is goed dat de staatssecretaris dit met de jurisprudentie strijdige handelen heeft aangepakt. Hij had dit kunnen doen door de Belastingdienst goede instructies te geven met de jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt. Helaas koos hij voor wetgeving; dit middel schoot zijn doel voorbij. Gelukkig heeft de volksvertegenwoordiging uiteindelijk de invoering van art. 64 AWR voorkomen.

M3 - Article

VL - 9

SP - 5

EP - 11

JO - Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht

JF - Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht

SN - 1389-9112

IS - 4

ER -