Going in and out of offending

Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders

E.L.B. Hilterman

Research output: ThesisDoctoral ThesisScientific

58 Downloads (Pure)

Abstract

Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift

Van 2005 tot en met 2009 is een gestructureerde risicotaxatie-methode geïmplementeerd in de gehele Catalaanse justitiële jeugdzorg. Door middel van deze implementatie is nagestreefd om: A) de risicotaxaties van de professionals te verbeteren; B) conform de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta (2010) de interventies meer te oriënteren op relevante risico- en beschermende factoren; en C) de communicatie tussen professionals (tussen en binnen de verschillende sectoren van de jeugdzorg) te verbeteren. Als risicotaxatie-instrument is gekozen voor de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY; Borum, Bartel & Forth, 2003; Spaans/Catalaanse vertaling; Vallès & Hilterman, 2006); dit instrument werkt volgens de methode van Structured Professional Judgment.

Dit proefschrift betreft onderzoek naar de data die gegenereerd zijn tijdens en na de implementatie van de SAVRY in de Catalaanse justitiële jeugdzorg. De doelstellingen van het proefschrift waren het onderzoeken van A) de predictieve validiteit van SAVRY en andere risicotaxatie-instrumenten in de Catalaanse context; B) het testen van sekse verschillen in de relevantie van de SAVRY risico- en beschermende factoren; C) het onderzoeken van subgroepen van jongeren op basis van hun profiel van risico- en beschermende factoren, alsmede de transitie tussen die subgroepen; en D) het identificeren van heterogene ontwikkelingstrajecten gedurende de supervisie door de reclassering op basis van SAVRY risicotaxaties bij zowel jongens als meisjes.

 

Samenvatting van de hoofdstukken

In Hoofdstuk 1 wordt het onderzoek naar de predictieve validiteit, betrouwbaarheid en interne consistentie van de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY), de Youth Level of Service/Case Management Inventory (YLS/CMI), en de Psychopathy Checklist: Youth Version (PCL:YV) in Catalonië gerapporteerd. Dit onderzoek was het eerste prospectieve onderzoek naar de betrouwbaarheid en validatie van risicotaxatie-instrumenten in Spanje. In de studie is het verschil in de voorspellende waarde tussen de drie instrumenten onderling vergeleken. Tevens is een vergelijking gemaakt met het ongestructureerde oordeel van de reclasseringsmedewerker en de zelfbeoordeling van de jongere.

Als uitkomstmaat is zelfrapportage van delinquent gedrag gebruikt, met een follow-up periode van één jaar. Van de oorspronkelijke steekproef van 145 jongeren met een verplicht reclasseringscontact zijn er tijdens de follow-up meting 105 (72,4%) opnieuw geïnterviewd. Van deze 105 jongeren liet 81,9% weten tijdens de follow-up periode opnieuw een (gewelddadig of niet gewelddadig) strafrechtelijk feit te hebben gepleegd en rapporteerde 65,4% herhaling van gewelddadig gedrag.

De betrouwbaarheid tussen beoordelaars voor de drie instrumenten varieerde van laag tot uitstekend. Voor de SAVRY was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars binnen aanvaardbare grenzen en vergelijkbaar met de resultaten van eerder onderzoek. De betrouwbaarheid van de PCL: YV totaal score en van de gedrags- en antisociale facetten was goed. De interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid was echter laag voor de interpersoonlijke en affectieve facetten. Tenslotte was de interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid van meerdere sub-schalen van de YLS/CMI (Onderwijs/Werkgelegenheid, Substantie Misbruik, Vrije tijd/Recreatie, Persoonlijkheid/Gedrag, en Attitudes/Oriëntatie) laag, voor de overige sub-schalen van de YLS/CMI was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars aanvaardbaar.

De interne consistentie was goed voor de sub-schalen van SAVRY, met uitzondering van de Sociaal/Contextuele sub-schaal. Voor vier van de acht sub-schalen van de YLS/CMI was de interne consistentie goed; voor de vier overige sub-schalen was deze echter onder de waarde van .70. De vier sub-schalen van de PCL: YV hadden een goede interne consistentie.

De drie instrumenten voorspelden de zelf gerapporteerde recidive met een gemiddelde tot goede nauwkeurigheid, variërend van AUC (area under the curve) = .75 (SAVRY risico totaal ), AUC = .63 (SAVRY beschermend totaal), AUC = .68 (SAVRY eindoordeel), AUC = .73 (YLS/CMI totaal score) en AUC = .72 (PCL:YV totaal score). De ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers (AUC = .61) en de jongeren zelf (AUC = .58) hadden geen significante voorspellende waarde, terwijl de SAVRY totaal score significant beter voorspelde in vergelijking met de ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers en de jongeren. De beschermende factoren van de SAVRY en het eindoordeel van de SAVRY voegden geen voorspellende waarde toe aan de SAVRY risico totaalscores.

De resultaten van deze studie laten zien dat SAVRY een betrouwbaar en valide instrument is en meerwaarde heeft voor de risicotaxatie in de context van de Catalaanse justitiële jeugdzorg.

 

In Hoofdstuk 2 is een vergelijking gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten op basis van de risico- en beschermende factoren van de SAVRY. Risicotaxatie-instrumenten zijn hoofdzakelijk ontwikkeld voor mannelijke jeugddelinquenten, maar de groep vrouwelijke adolescenten binnen de justitiële jeugdzorg neemt langzaam maar zeker toe. Aangezien risicotaxatie in toenemende mate wordt gebruikt ter oriëntatie van behandeltrajecten zijn mogelijke verschillen in relevantie van risico- en beschermende factoren voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten belangrijk in verband met het verbeteren van de preventie van toekomstig delinquent gedrag.

De onderzoeksgroep bestonden uit een constructie- en een validatie steekproef. In de constructie steekproef waren alle jongeren (jongens: n = 3596, meisjes n = 466) opgenomen met een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie en die tussen 2006 en 2011 minstens twee achtereenvolgende keren met de SAVRY waren beoordeeld. De validatie steekproef bestond uit alle jongeren (jongens: n = 2433, meisjes n = 357) die tussen 2011 en 2014 minimaal twee achtereenvolgende keren met behulp van de SAVRY waren beoordeeld.

Met behulp van een exploratieve factoranalyse van de risico- en beschermende items van de SAVRY in de constructie steekproef zijn factormodellen voor beide seksen geconstrueerd. Voor zowel jongens als meisjes konden vijf factoren worden onderscheiden: Antisociaal gedrag, Familieproblemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie. Vervolgens zijn deze factormodellen gevalideerd in confirmatieve factoranalyse op basis van de validatie steekproef. In de vergelijking van de factoren tussen de seksen werd gevonden dat deze significant verschillend waren; sommige items van de SAVRY pasten voor jongens beter in een andere factor dan voor meisjes (zie de Figuren 1 en 2 in hoofdstuk 2 en Figuur 1 in hoofdstuk 3). Echter, er was ook een aanzienlijke overlap tussen de modellen voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten. De vijf factoren hadden een goede interne consistentie voor beide seksen (tussen 0,71 - 0,81 voor jongens en tussen 0,70 - 0,82 voor meisjes).

Uit dit hoofdstuk blijkt dat het construeren van empirisch gevalideerde factoren, bestaande uit risico- en beschermende SAVRY-items apart voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten, clinici kan ondersteunen in het identificeren van sekse specifieke begeleidings- en/of behandelingsmogelijkheden.

 

In Hoofdstuk 3 is de heterogeniteit in risico- en beschermende factoren van de SAVRY onderzocht in een populatie van mannelijke (n = 4267) en vrouwelijke (n = 661) jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2011 contact hadden met de Catalaanse justitiële jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie.

In een eerste stap van de analyses is het aantal latente klassen geschat. In de tweede stap is bepaald welke klasse het beste paste bij elke jongen en meisje. In de derde stap is de kans op transitie over tijd tussen de klassen onderzocht.

Voor de mannelijke jeugddelinquenten werden vijf latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (36%); (b) lage-matige risico’s/behoeften (26%); (c) matige risico’s/behoeften (11%); (d) matige-hoge risico’s/behoeften (19%); en (e) hoge risico’s/behoeften (8%). Voor de vrouwelijke jongeren werden drie latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (30%); (b) gematigde risico’s/behoeften (51%); en (c) hoge risico’s/behoeften (19%). Vervolgens is geanalyseerd in welke mate jongeren gedurende een periode van 12 maanden van latente klasse veranderden. De resultaten indiceerden dat deze transitie tussen de latente klassen gering was, 74-81% van de jongens en 77-95% van de meisjes veranderden niet van klasse.

Eerdere gewelddadige delicten discrimineerden niet tussen drie van de vijf subgroepen van mannelijke adolescenten, terwijl voor geen van de drie subgroepen van meisjes eerdere gewelddadige delicten verschillend waren. De recidive data was proportioneel verdeeld voor de risico/behoefte niveaus van de verschillende latente klassen: klassen met hoger risico lieten meer recidive zien in vergelijking met klassen met lager risico. Deze proportionaliteit is in lijn met de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta. Deze bevindingen tezamen suggereren dat het strafrechtelijk verleden een onvoldoende indicator is voor de kans op recidive, met name voor vrouwelijke jeugddelinquenten.

 

In Hoofdstuk 4 zijn aan de hand van een longitudinale studie de ontwikkelingstrajecten op basis van risico- en beschermende factoren van de SAVRY van adolescente jongens beschreven (Antisociaal gedrag, Familie problemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie). De SAVRY factoren zijn geclusterd in vijf risico en behoefte gebieden zoals in Hoofdstuk 2 is beschreven. De steekproef bestond uit 5205 mannelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 een verplicht reclasseringscontact en/of jeugddetentie hadden binnen de Catalaanse justitiële jeugdzorg.

Het bestaan van verschillende ontwikkelingstrajecten is onderzocht via latente groeicurve analyses. De relatie tussen justitiële en sociaal-demografische variabelen en de verschillende trajecten is onderzocht via multinomiale logistische regressie analyse. In elk van de risico- en behoefte gebieden zijn tussen de drie tot vier verschillende ontwikkelingstrajecten onderscheiden (zie Figuur 2 op pagina 112) die varieerden in risiconiveau en verandering over tijd. De trajecten met laag risico op de vijf risico/behoeften gebieden (45% tot 77% van de jongens) bleven laag in risico en namen niet toe tijdens de 18 maanden follow-up periode. De trajecten met hoog risico op de vijf risico/behoeften gebieden (20% tot 37% van het sample), lieten een zeer gelimiteerde afname of geen verandering zien. Slechts voor een klein deel van de jongeren was een duidelijke verandering zichtbaar op de verschillende risico/behoeften gebieden: tussen de 5% en 13% van de steekproef had een sterke afname in risico/behoeften gedurende de 18-maandelijkse periode, terwijl 5% een sterke toename liet zien.

De resultaten die in dit hoofdstuk zijn beschreven illustreren, in lijn met criminologische ontwikkeling en levensloop theorieën, dat ontwikkelingstrajecten op basis van risico en behoeften heel verschillend kunnen zijn in hun ontwikkeling over tijd. Gezien de grote groep jongeren die geen verandering laat zien, indiceren de resultaten in dit hoofdstuk indiceren mogelijk ook dat de risico- en beschermende factoren van de SAVRY beperkt zijn in hun capaciteit om verandering over de tijd te meten.

 

In Hoofdstuk 5 is een longitudinale studie gepresenteerd naar de heterogeniteit van ontwikkelingstrajecten van vrouwelijke jeugddelinquenten op de vijf risico/behoeften gebieden uit hoofdstuk 2. Delinquent gedrag is lang voornamelijk een mannenzaak geweest en onderzoek naar meisjes, die in aanraking komen met de wet, is beperkt. Onderzoek naar de ontwikkeling van vrouwelijke jeugddelinquenten is relevant mede omdat de proportie van meisjes binnen de justitiële jeugdzorg, ondanks dat de jeugddelinquentie als geheel afneemt, toeneemt (zie Figuur 1 in de Summary and General discussion). Bovendien worden risicotaxatie-instrumenten in toenemende mate gebruikt voor de oriëntatie van behandeltrajecten, terwijl deze doorgaans op basis van mannelijke jeugddelinquenten ontwikkeld zijn.

De steekproef bestond uit alle 826 vrouwelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 contact hadden met de Catalaanse justitiële jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact en/of een jeugddetentie en die binnen een termijn van 12 maanden tenminste twee opeenvolgende risicotaxaties op SAVRY hadden. Met behulp van latente groei curve analyses zijn er tussen de één en vier risico/behoeften trajecten geïdentificeerd. De trajecten die laag risico indiceerden (49-71%) bleven laag, terwijl hoog risico trajecten (21-41%) geen of beperkte verbetering lieten zien. Zes tot 10% van de steekproef liet een sterke vermindering in risico/behoeften zien, terwijl 5% een sterkte toename in risico/behoeften vertoonde.

Deze studie laat zien dat ook vrouwelijke adolescenten geen eenduidige verandering laten zien tijdens hun traject door de justitiële jeugdzorg. De bevindingen suggereren verschillende subgroepen van vrouwelijke jeugddelinquenten elk met unieke criminogene behoeften die om verschillende begeleiding en behandeltrajecten vragen.

 

Algemene conclusies

Op basis van dit proefschrift kunnen een aantal algemene conclusies worden getrokken. Ten eerste, risicotaxatie zou een integraal onderdeel moeten vormen van de supervisie en begeleiding van jeugddelinquenten. Deze taxaties zouden voorafgaande aan het ontwerp van de begeleidings- en behandelingsplannen moeten worden uitgevoerd en voorafgaande aan de evaluatie van het behandelplan worden herhaald om verandering in kaart te brengen. Herhaalde risicotaxaties zijn tevens een manier om meer zicht te krijgen op de transitie van de jongeren door de justitiële jeugdzorg. De resultaten van dit proefschrift laten zien dat risicotaxaties gedurende het traject van jongeren door de justitiële jeugdzorg belangrijke informatie op kan leveren voor het klinische proces. De resultaten laten onder meer zien dat de relevantie van risico- en beschermende factoren kan verschillen tussen jongens en meisjes, maar dat er tevens een aanzienlijke overlap bestaat. De verschillen en overeenkomsten in relevantie van risico- en beschermende factoren tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten kan leiden tot beter inzicht in de dynamiek die ten grondslag ligt aan delinquent gedrag, met name dat van meisjes.

Ten tweede, de gepresenteerde studies geven inzicht dat jeugddelinquenten een heterogene groep vormen. De resultaten indiceren dat zowel jongens als meisjes bestaan uit diverse subgroepen gebaseerd op variërende behoeften en risico’s. Deze bevindingen benadrukken dat jeugddelinquenten met verschillende risiconiveaus en variërende criminogene behoeften, verschillende typen interventies nodig hebben met variërende intensiteit. Ook tijdens de transitie door de justitiële jeugdzorg vertoonden adolescenten heterogene veranderingspatronen die zowel verbetering als achteruitgang aanduidden. Echter, het meest gebruikelijke patroon was geen verandering gedurende de interventie.

Ten derde, in de laatste jaren is er belangrijke vooruitgang geboekt binnen de risicotaxatie en het risicomanagement in de justitiële jeugdzorg in termen van het identificeren van relevantie risico- en beschermende factoren. De vooruitgang die in cross-sectioneel onderzoek is gemaakt, lijkt echter niet te worden bevestigd in longitudinaal onderzoek, waar dezelfde personen gedurende een periode van tijd worden gevolgd. Longitudinale studies zijn belangrijk om te bevestigen of behandelstrategieën ter vermindering van het recidiverisico, gebaseerd op risico- en beschermende factoren of risico/behoeften gebieden, inderdaad samenhangen met een reductie in delinquent gedrag, of het stoppen daarmee. Het veld van risicotaxatie en risicomanagement staat voor de uitdaging om aan te tonen dat dynamische risico- en beschermende factoren samenhangen met een reductie in of het stoppen met delinquent gedrag.

 

Original languageEnglish
QualificationDoctor of Philosophy
Supervisors/Advisors
  • van Nieuwenhuizen, Chijs, Promotor
  • Nicholls, T.L., Promotor, External person
  • Embregts, Petri, Member PhD commission
  • van Marle, H.J.C., Member PhD commission, External person
  • Nijman, H.L.I., Member PhD commission, External person
  • de Ruiter, C., Member PhD commission, External person
  • Vermeiren, Robert R. J. M., Member PhD commission, External person
  • de Vogel, Vivienne, Member PhD commission, External person
Award date8 Dec 2017
Place of PublicationBarcelona
Publisher
Print ISBNs978-84-697-7106-8
Publication statusPublished - 2017

Fingerprint

juvenile offender
risk assessment
violence
case management

Cite this

Hilterman, E. L. B. (2017). Going in and out of offending: Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders. Barcelona: Don't worry producción gráfica s.l.
Hilterman, E.L.B.. / Going in and out of offending : Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders. Barcelona : Don't worry producción gráfica s.l., 2017. 241 p.
@phdthesis{cdc906541f7d4379b71adece0c6b1042,
title = "Going in and out of offending: Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders",
abstract = "Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Van 2005 tot en met 2009 is een gestructureerde risicotaxatie-methode ge{\"i}mplementeerd in de gehele Catalaanse justiti{\"e}le jeugdzorg. Door middel van deze implementatie is nagestreefd om: A) de risicotaxaties van de professionals te verbeteren; B) conform de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta (2010) de interventies meer te ori{\"e}nteren op relevante risico- en beschermende factoren; en C) de communicatie tussen professionals (tussen en binnen de verschillende sectoren van de jeugdzorg) te verbeteren. Als risicotaxatie-instrument is gekozen voor de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY; Borum, Bartel & Forth, 2003; Spaans/Catalaanse vertaling; Vall{\`e}s & Hilterman, 2006); dit instrument werkt volgens de methode van Structured Professional Judgment. Dit proefschrift betreft onderzoek naar de data die gegenereerd zijn tijdens en na de implementatie van de SAVRY in de Catalaanse justiti{\"e}le jeugdzorg. De doelstellingen van het proefschrift waren het onderzoeken van A) de predictieve validiteit van SAVRY en andere risicotaxatie-instrumenten in de Catalaanse context; B) het testen van sekse verschillen in de relevantie van de SAVRY risico- en beschermende factoren; C) het onderzoeken van subgroepen van jongeren op basis van hun profiel van risico- en beschermende factoren, alsmede de transitie tussen die subgroepen; en D) het identificeren van heterogene ontwikkelingstrajecten gedurende de supervisie door de reclassering op basis van SAVRY risicotaxaties bij zowel jongens als meisjes.   Samenvatting van de hoofdstukken In Hoofdstuk 1 wordt het onderzoek naar de predictieve validiteit, betrouwbaarheid en interne consistentie van de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY), de Youth Level of Service/Case Management Inventory (YLS/CMI), en de Psychopathy Checklist: Youth Version (PCL:YV) in Cataloni{\"e} gerapporteerd. Dit onderzoek was het eerste prospectieve onderzoek naar de betrouwbaarheid en validatie van risicotaxatie-instrumenten in Spanje. In de studie is het verschil in de voorspellende waarde tussen de drie instrumenten onderling vergeleken. Tevens is een vergelijking gemaakt met het ongestructureerde oordeel van de reclasseringsmedewerker en de zelfbeoordeling van de jongere. Als uitkomstmaat is zelfrapportage van delinquent gedrag gebruikt, met een follow-up periode van {\'e}{\'e}n jaar. Van de oorspronkelijke steekproef van 145 jongeren met een verplicht reclasseringscontact zijn er tijdens de follow-up meting 105 (72,4{\%}) opnieuw ge{\"i}nterviewd. Van deze 105 jongeren liet 81,9{\%} weten tijdens de follow-up periode opnieuw een (gewelddadig of niet gewelddadig) strafrechtelijk feit te hebben gepleegd en rapporteerde 65,4{\%} herhaling van gewelddadig gedrag. De betrouwbaarheid tussen beoordelaars voor de drie instrumenten varieerde van laag tot uitstekend. Voor de SAVRY was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars binnen aanvaardbare grenzen en vergelijkbaar met de resultaten van eerder onderzoek. De betrouwbaarheid van de PCL: YV totaal score en van de gedrags- en antisociale facetten was goed. De interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid was echter laag voor de interpersoonlijke en affectieve facetten. Tenslotte was de interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid van meerdere sub-schalen van de YLS/CMI (Onderwijs/Werkgelegenheid, Substantie Misbruik, Vrije tijd/Recreatie, Persoonlijkheid/Gedrag, en Attitudes/Ori{\"e}ntatie) laag, voor de overige sub-schalen van de YLS/CMI was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars aanvaardbaar. De interne consistentie was goed voor de sub-schalen van SAVRY, met uitzondering van de Sociaal/Contextuele sub-schaal. Voor vier van de acht sub-schalen van de YLS/CMI was de interne consistentie goed; voor de vier overige sub-schalen was deze echter onder de waarde van .70. De vier sub-schalen van de PCL: YV hadden een goede interne consistentie. De drie instrumenten voorspelden de zelf gerapporteerde recidive met een gemiddelde tot goede nauwkeurigheid, vari{\"e}rend van AUC (area under the curve) = .75 (SAVRY risico totaal ), AUC = .63 (SAVRY beschermend totaal), AUC = .68 (SAVRY eindoordeel), AUC = .73 (YLS/CMI totaal score) en AUC = .72 (PCL:YV totaal score). De ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers (AUC = .61) en de jongeren zelf (AUC = .58) hadden geen significante voorspellende waarde, terwijl de SAVRY totaal score significant beter voorspelde in vergelijking met de ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers en de jongeren. De beschermende factoren van de SAVRY en het eindoordeel van de SAVRY voegden geen voorspellende waarde toe aan de SAVRY risico totaalscores. De resultaten van deze studie laten zien dat SAVRY een betrouwbaar en valide instrument is en meerwaarde heeft voor de risicotaxatie in de context van de Catalaanse justiti{\"e}le jeugdzorg.   In Hoofdstuk 2 is een vergelijking gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten op basis van de risico- en beschermende factoren van de SAVRY. Risicotaxatie-instrumenten zijn hoofdzakelijk ontwikkeld voor mannelijke jeugddelinquenten, maar de groep vrouwelijke adolescenten binnen de justiti{\"e}le jeugdzorg neemt langzaam maar zeker toe. Aangezien risicotaxatie in toenemende mate wordt gebruikt ter ori{\"e}ntatie van behandeltrajecten zijn mogelijke verschillen in relevantie van risico- en beschermende factoren voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten belangrijk in verband met het verbeteren van de preventie van toekomstig delinquent gedrag. De onderzoeksgroep bestonden uit een constructie- en een validatie steekproef. In de constructie steekproef waren alle jongeren (jongens: n = 3596, meisjes n = 466) opgenomen met een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie en die tussen 2006 en 2011 minstens twee achtereenvolgende keren met de SAVRY waren beoordeeld. De validatie steekproef bestond uit alle jongeren (jongens: n = 2433, meisjes n = 357) die tussen 2011 en 2014 minimaal twee achtereenvolgende keren met behulp van de SAVRY waren beoordeeld. Met behulp van een exploratieve factoranalyse van de risico- en beschermende items van de SAVRY in de constructie steekproef zijn factormodellen voor beide seksen geconstrueerd. Voor zowel jongens als meisjes konden vijf factoren worden onderscheiden: Antisociaal gedrag, Familieproblemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie. Vervolgens zijn deze factormodellen gevalideerd in confirmatieve factoranalyse op basis van de validatie steekproef. In de vergelijking van de factoren tussen de seksen werd gevonden dat deze significant verschillend waren; sommige items van de SAVRY pasten voor jongens beter in een andere factor dan voor meisjes (zie de Figuren 1 en 2 in hoofdstuk 2 en Figuur 1 in hoofdstuk 3). Echter, er was ook een aanzienlijke overlap tussen de modellen voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten. De vijf factoren hadden een goede interne consistentie voor beide seksen (tussen 0,71 - 0,81 voor jongens en tussen 0,70 - 0,82 voor meisjes). Uit dit hoofdstuk blijkt dat het construeren van empirisch gevalideerde factoren, bestaande uit risico- en beschermende SAVRY-items apart voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten, clinici kan ondersteunen in het identificeren van sekse specifieke begeleidings- en/of behandelingsmogelijkheden.   In Hoofdstuk 3 is de heterogeniteit in risico- en beschermende factoren van de SAVRY onderzocht in een populatie van mannelijke (n = 4267) en vrouwelijke (n = 661) jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2011 contact hadden met de Catalaanse justiti{\"e}le jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie. In een eerste stap van de analyses is het aantal latente klassen geschat. In de tweede stap is bepaald welke klasse het beste paste bij elke jongen en meisje. In de derde stap is de kans op transitie over tijd tussen de klassen onderzocht. Voor de mannelijke jeugddelinquenten werden vijf latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (36{\%}); (b) lage-matige risico’s/behoeften (26{\%}); (c) matige risico’s/behoeften (11{\%}); (d) matige-hoge risico’s/behoeften (19{\%}); en (e) hoge risico’s/behoeften (8{\%}). Voor de vrouwelijke jongeren werden drie latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (30{\%}); (b) gematigde risico’s/behoeften (51{\%}); en (c) hoge risico’s/behoeften (19{\%}). Vervolgens is geanalyseerd in welke mate jongeren gedurende een periode van 12 maanden van latente klasse veranderden. De resultaten indiceerden dat deze transitie tussen de latente klassen gering was, 74-81{\%} van de jongens en 77-95{\%} van de meisjes veranderden niet van klasse. Eerdere gewelddadige delicten discrimineerden niet tussen drie van de vijf subgroepen van mannelijke adolescenten, terwijl voor geen van de drie subgroepen van meisjes eerdere gewelddadige delicten verschillend waren. De recidive data was proportioneel verdeeld voor de risico/behoefte niveaus van de verschillende latente klassen: klassen met hoger risico lieten meer recidive zien in vergelijking met klassen met lager risico. Deze proportionaliteit is in lijn met de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta. Deze bevindingen tezamen suggereren dat het strafrechtelijk verleden een onvoldoende indicator is voor de kans op recidive, met name voor vrouwelijke jeugddelinquenten.   In Hoofdstuk 4 zijn aan de hand van een longitudinale studie de ontwikkelingstrajecten op basis van risico- en beschermende factoren van de SAVRY van adolescente jongens beschreven (Antisociaal gedrag, Familie problemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie). De SAVRY factoren zijn geclusterd in vijf risico en behoefte gebieden zoals in Hoofdstuk 2 is beschreven. De steekproef bestond uit 5205 mannelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 een verplicht reclasseringscontact en/of jeugddetentie hadden binnen de Catalaanse justiti{\"e}le jeugdzorg. Het bestaan van verschillende ontwikkelingstrajecten is onderzocht via latente groeicurve analyses. De relatie tussen justiti{\"e}le en sociaal-demografische variabelen en de verschillende trajecten is onderzocht via multinomiale logistische regressie analyse. In elk van de risico- en behoefte gebieden zijn tussen de drie tot vier verschillende ontwikkelingstrajecten onderscheiden (zie Figuur 2 op pagina 112) die varieerden in risiconiveau en verandering over tijd. De trajecten met laag risico op de vijf risico/behoeften gebieden (45{\%} tot 77{\%} van de jongens) bleven laag in risico en namen niet toe tijdens de 18 maanden follow-up periode. De trajecten met hoog risico op de vijf risico/behoeften gebieden (20{\%} tot 37{\%} van het sample), lieten een zeer gelimiteerde afname of geen verandering zien. Slechts voor een klein deel van de jongeren was een duidelijke verandering zichtbaar op de verschillende risico/behoeften gebieden: tussen de 5{\%} en 13{\%} van de steekproef had een sterke afname in risico/behoeften gedurende de 18-maandelijkse periode, terwijl 5{\%} een sterke toename liet zien. De resultaten die in dit hoofdstuk zijn beschreven illustreren, in lijn met criminologische ontwikkeling en levensloop theorie{\"e}n, dat ontwikkelingstrajecten op basis van risico en behoeften heel verschillend kunnen zijn in hun ontwikkeling over tijd. Gezien de grote groep jongeren die geen verandering laat zien, indiceren de resultaten in dit hoofdstuk indiceren mogelijk ook dat de risico- en beschermende factoren van de SAVRY beperkt zijn in hun capaciteit om verandering over de tijd te meten.   In Hoofdstuk 5 is een longitudinale studie gepresenteerd naar de heterogeniteit van ontwikkelingstrajecten van vrouwelijke jeugddelinquenten op de vijf risico/behoeften gebieden uit hoofdstuk 2. Delinquent gedrag is lang voornamelijk een mannenzaak geweest en onderzoek naar meisjes, die in aanraking komen met de wet, is beperkt. Onderzoek naar de ontwikkeling van vrouwelijke jeugddelinquenten is relevant mede omdat de proportie van meisjes binnen de justiti{\"e}le jeugdzorg, ondanks dat de jeugddelinquentie als geheel afneemt, toeneemt (zie Figuur 1 in de Summary and General discussion). Bovendien worden risicotaxatie-instrumenten in toenemende mate gebruikt voor de ori{\"e}ntatie van behandeltrajecten, terwijl deze doorgaans op basis van mannelijke jeugddelinquenten ontwikkeld zijn. De steekproef bestond uit alle 826 vrouwelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 contact hadden met de Catalaanse justiti{\"e}le jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact en/of een jeugddetentie en die binnen een termijn van 12 maanden tenminste twee opeenvolgende risicotaxaties op SAVRY hadden. Met behulp van latente groei curve analyses zijn er tussen de {\'e}{\'e}n en vier risico/behoeften trajecten ge{\"i}dentificeerd. De trajecten die laag risico indiceerden (49-71{\%}) bleven laag, terwijl hoog risico trajecten (21-41{\%}) geen of beperkte verbetering lieten zien. Zes tot 10{\%} van de steekproef liet een sterke vermindering in risico/behoeften zien, terwijl 5{\%} een sterkte toename in risico/behoeften vertoonde. Deze studie laat zien dat ook vrouwelijke adolescenten geen eenduidige verandering laten zien tijdens hun traject door de justiti{\"e}le jeugdzorg. De bevindingen suggereren verschillende subgroepen van vrouwelijke jeugddelinquenten elk met unieke criminogene behoeften die om verschillende begeleiding en behandeltrajecten vragen.   Algemene conclusies Op basis van dit proefschrift kunnen een aantal algemene conclusies worden getrokken. Ten eerste, risicotaxatie zou een integraal onderdeel moeten vormen van de supervisie en begeleiding van jeugddelinquenten. Deze taxaties zouden voorafgaande aan het ontwerp van de begeleidings- en behandelingsplannen moeten worden uitgevoerd en voorafgaande aan de evaluatie van het behandelplan worden herhaald om verandering in kaart te brengen. Herhaalde risicotaxaties zijn tevens een manier om meer zicht te krijgen op de transitie van de jongeren door de justiti{\"e}le jeugdzorg. De resultaten van dit proefschrift laten zien dat risicotaxaties gedurende het traject van jongeren door de justiti{\"e}le jeugdzorg belangrijke informatie op kan leveren voor het klinische proces. De resultaten laten onder meer zien dat de relevantie van risico- en beschermende factoren kan verschillen tussen jongens en meisjes, maar dat er tevens een aanzienlijke overlap bestaat. De verschillen en overeenkomsten in relevantie van risico- en beschermende factoren tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten kan leiden tot beter inzicht in de dynamiek die ten grondslag ligt aan delinquent gedrag, met name dat van meisjes. Ten tweede, de gepresenteerde studies geven inzicht dat jeugddelinquenten een heterogene groep vormen. De resultaten indiceren dat zowel jongens als meisjes bestaan uit diverse subgroepen gebaseerd op vari{\"e}rende behoeften en risico’s. Deze bevindingen benadrukken dat jeugddelinquenten met verschillende risiconiveaus en vari{\"e}rende criminogene behoeften, verschillende typen interventies nodig hebben met vari{\"e}rende intensiteit. Ook tijdens de transitie door de justiti{\"e}le jeugdzorg vertoonden adolescenten heterogene veranderingspatronen die zowel verbetering als achteruitgang aanduidden. Echter, het meest gebruikelijke patroon was geen verandering gedurende de interventie. Ten derde, in de laatste jaren is er belangrijke vooruitgang geboekt binnen de risicotaxatie en het risicomanagement in de justiti{\"e}le jeugdzorg in termen van het identificeren van relevantie risico- en beschermende factoren. De vooruitgang die in cross-sectioneel onderzoek is gemaakt, lijkt echter niet te worden bevestigd in longitudinaal onderzoek, waar dezelfde personen gedurende een periode van tijd worden gevolgd. Longitudinale studies zijn belangrijk om te bevestigen of behandelstrategie{\"e}n ter vermindering van het recidiverisico, gebaseerd op risico- en beschermende factoren of risico/behoeften gebieden, inderdaad samenhangen met een reductie in delinquent gedrag, of het stoppen daarmee. Het veld van risicotaxatie en risicomanagement staat voor de uitdaging om aan te tonen dat dynamische risico- en beschermende factoren samenhangen met een reductie in of het stoppen met delinquent gedrag.  ",
author = "E.L.B. Hilterman",
year = "2017",
language = "English",
isbn = "978-84-697-7106-8",
publisher = "Don't worry producci{\'o}n gr{\'a}fica s.l.",

}

Going in and out of offending : Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders. / Hilterman, E.L.B.

Barcelona : Don't worry producción gráfica s.l., 2017. 241 p.

Research output: ThesisDoctoral ThesisScientific

TY - THES

T1 - Going in and out of offending

T2 - Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders

AU - Hilterman, E.L.B.

PY - 2017

Y1 - 2017

N2 - Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Van 2005 tot en met 2009 is een gestructureerde risicotaxatie-methode geïmplementeerd in de gehele Catalaanse justitiële jeugdzorg. Door middel van deze implementatie is nagestreefd om: A) de risicotaxaties van de professionals te verbeteren; B) conform de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta (2010) de interventies meer te oriënteren op relevante risico- en beschermende factoren; en C) de communicatie tussen professionals (tussen en binnen de verschillende sectoren van de jeugdzorg) te verbeteren. Als risicotaxatie-instrument is gekozen voor de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY; Borum, Bartel & Forth, 2003; Spaans/Catalaanse vertaling; Vallès & Hilterman, 2006); dit instrument werkt volgens de methode van Structured Professional Judgment. Dit proefschrift betreft onderzoek naar de data die gegenereerd zijn tijdens en na de implementatie van de SAVRY in de Catalaanse justitiële jeugdzorg. De doelstellingen van het proefschrift waren het onderzoeken van A) de predictieve validiteit van SAVRY en andere risicotaxatie-instrumenten in de Catalaanse context; B) het testen van sekse verschillen in de relevantie van de SAVRY risico- en beschermende factoren; C) het onderzoeken van subgroepen van jongeren op basis van hun profiel van risico- en beschermende factoren, alsmede de transitie tussen die subgroepen; en D) het identificeren van heterogene ontwikkelingstrajecten gedurende de supervisie door de reclassering op basis van SAVRY risicotaxaties bij zowel jongens als meisjes.   Samenvatting van de hoofdstukken In Hoofdstuk 1 wordt het onderzoek naar de predictieve validiteit, betrouwbaarheid en interne consistentie van de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY), de Youth Level of Service/Case Management Inventory (YLS/CMI), en de Psychopathy Checklist: Youth Version (PCL:YV) in Catalonië gerapporteerd. Dit onderzoek was het eerste prospectieve onderzoek naar de betrouwbaarheid en validatie van risicotaxatie-instrumenten in Spanje. In de studie is het verschil in de voorspellende waarde tussen de drie instrumenten onderling vergeleken. Tevens is een vergelijking gemaakt met het ongestructureerde oordeel van de reclasseringsmedewerker en de zelfbeoordeling van de jongere. Als uitkomstmaat is zelfrapportage van delinquent gedrag gebruikt, met een follow-up periode van één jaar. Van de oorspronkelijke steekproef van 145 jongeren met een verplicht reclasseringscontact zijn er tijdens de follow-up meting 105 (72,4%) opnieuw geïnterviewd. Van deze 105 jongeren liet 81,9% weten tijdens de follow-up periode opnieuw een (gewelddadig of niet gewelddadig) strafrechtelijk feit te hebben gepleegd en rapporteerde 65,4% herhaling van gewelddadig gedrag. De betrouwbaarheid tussen beoordelaars voor de drie instrumenten varieerde van laag tot uitstekend. Voor de SAVRY was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars binnen aanvaardbare grenzen en vergelijkbaar met de resultaten van eerder onderzoek. De betrouwbaarheid van de PCL: YV totaal score en van de gedrags- en antisociale facetten was goed. De interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid was echter laag voor de interpersoonlijke en affectieve facetten. Tenslotte was de interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid van meerdere sub-schalen van de YLS/CMI (Onderwijs/Werkgelegenheid, Substantie Misbruik, Vrije tijd/Recreatie, Persoonlijkheid/Gedrag, en Attitudes/Oriëntatie) laag, voor de overige sub-schalen van de YLS/CMI was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars aanvaardbaar. De interne consistentie was goed voor de sub-schalen van SAVRY, met uitzondering van de Sociaal/Contextuele sub-schaal. Voor vier van de acht sub-schalen van de YLS/CMI was de interne consistentie goed; voor de vier overige sub-schalen was deze echter onder de waarde van .70. De vier sub-schalen van de PCL: YV hadden een goede interne consistentie. De drie instrumenten voorspelden de zelf gerapporteerde recidive met een gemiddelde tot goede nauwkeurigheid, variërend van AUC (area under the curve) = .75 (SAVRY risico totaal ), AUC = .63 (SAVRY beschermend totaal), AUC = .68 (SAVRY eindoordeel), AUC = .73 (YLS/CMI totaal score) en AUC = .72 (PCL:YV totaal score). De ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers (AUC = .61) en de jongeren zelf (AUC = .58) hadden geen significante voorspellende waarde, terwijl de SAVRY totaal score significant beter voorspelde in vergelijking met de ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers en de jongeren. De beschermende factoren van de SAVRY en het eindoordeel van de SAVRY voegden geen voorspellende waarde toe aan de SAVRY risico totaalscores. De resultaten van deze studie laten zien dat SAVRY een betrouwbaar en valide instrument is en meerwaarde heeft voor de risicotaxatie in de context van de Catalaanse justitiële jeugdzorg.   In Hoofdstuk 2 is een vergelijking gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten op basis van de risico- en beschermende factoren van de SAVRY. Risicotaxatie-instrumenten zijn hoofdzakelijk ontwikkeld voor mannelijke jeugddelinquenten, maar de groep vrouwelijke adolescenten binnen de justitiële jeugdzorg neemt langzaam maar zeker toe. Aangezien risicotaxatie in toenemende mate wordt gebruikt ter oriëntatie van behandeltrajecten zijn mogelijke verschillen in relevantie van risico- en beschermende factoren voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten belangrijk in verband met het verbeteren van de preventie van toekomstig delinquent gedrag. De onderzoeksgroep bestonden uit een constructie- en een validatie steekproef. In de constructie steekproef waren alle jongeren (jongens: n = 3596, meisjes n = 466) opgenomen met een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie en die tussen 2006 en 2011 minstens twee achtereenvolgende keren met de SAVRY waren beoordeeld. De validatie steekproef bestond uit alle jongeren (jongens: n = 2433, meisjes n = 357) die tussen 2011 en 2014 minimaal twee achtereenvolgende keren met behulp van de SAVRY waren beoordeeld. Met behulp van een exploratieve factoranalyse van de risico- en beschermende items van de SAVRY in de constructie steekproef zijn factormodellen voor beide seksen geconstrueerd. Voor zowel jongens als meisjes konden vijf factoren worden onderscheiden: Antisociaal gedrag, Familieproblemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie. Vervolgens zijn deze factormodellen gevalideerd in confirmatieve factoranalyse op basis van de validatie steekproef. In de vergelijking van de factoren tussen de seksen werd gevonden dat deze significant verschillend waren; sommige items van de SAVRY pasten voor jongens beter in een andere factor dan voor meisjes (zie de Figuren 1 en 2 in hoofdstuk 2 en Figuur 1 in hoofdstuk 3). Echter, er was ook een aanzienlijke overlap tussen de modellen voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten. De vijf factoren hadden een goede interne consistentie voor beide seksen (tussen 0,71 - 0,81 voor jongens en tussen 0,70 - 0,82 voor meisjes). Uit dit hoofdstuk blijkt dat het construeren van empirisch gevalideerde factoren, bestaande uit risico- en beschermende SAVRY-items apart voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten, clinici kan ondersteunen in het identificeren van sekse specifieke begeleidings- en/of behandelingsmogelijkheden.   In Hoofdstuk 3 is de heterogeniteit in risico- en beschermende factoren van de SAVRY onderzocht in een populatie van mannelijke (n = 4267) en vrouwelijke (n = 661) jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2011 contact hadden met de Catalaanse justitiële jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie. In een eerste stap van de analyses is het aantal latente klassen geschat. In de tweede stap is bepaald welke klasse het beste paste bij elke jongen en meisje. In de derde stap is de kans op transitie over tijd tussen de klassen onderzocht. Voor de mannelijke jeugddelinquenten werden vijf latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (36%); (b) lage-matige risico’s/behoeften (26%); (c) matige risico’s/behoeften (11%); (d) matige-hoge risico’s/behoeften (19%); en (e) hoge risico’s/behoeften (8%). Voor de vrouwelijke jongeren werden drie latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (30%); (b) gematigde risico’s/behoeften (51%); en (c) hoge risico’s/behoeften (19%). Vervolgens is geanalyseerd in welke mate jongeren gedurende een periode van 12 maanden van latente klasse veranderden. De resultaten indiceerden dat deze transitie tussen de latente klassen gering was, 74-81% van de jongens en 77-95% van de meisjes veranderden niet van klasse. Eerdere gewelddadige delicten discrimineerden niet tussen drie van de vijf subgroepen van mannelijke adolescenten, terwijl voor geen van de drie subgroepen van meisjes eerdere gewelddadige delicten verschillend waren. De recidive data was proportioneel verdeeld voor de risico/behoefte niveaus van de verschillende latente klassen: klassen met hoger risico lieten meer recidive zien in vergelijking met klassen met lager risico. Deze proportionaliteit is in lijn met de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta. Deze bevindingen tezamen suggereren dat het strafrechtelijk verleden een onvoldoende indicator is voor de kans op recidive, met name voor vrouwelijke jeugddelinquenten.   In Hoofdstuk 4 zijn aan de hand van een longitudinale studie de ontwikkelingstrajecten op basis van risico- en beschermende factoren van de SAVRY van adolescente jongens beschreven (Antisociaal gedrag, Familie problemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie). De SAVRY factoren zijn geclusterd in vijf risico en behoefte gebieden zoals in Hoofdstuk 2 is beschreven. De steekproef bestond uit 5205 mannelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 een verplicht reclasseringscontact en/of jeugddetentie hadden binnen de Catalaanse justitiële jeugdzorg. Het bestaan van verschillende ontwikkelingstrajecten is onderzocht via latente groeicurve analyses. De relatie tussen justitiële en sociaal-demografische variabelen en de verschillende trajecten is onderzocht via multinomiale logistische regressie analyse. In elk van de risico- en behoefte gebieden zijn tussen de drie tot vier verschillende ontwikkelingstrajecten onderscheiden (zie Figuur 2 op pagina 112) die varieerden in risiconiveau en verandering over tijd. De trajecten met laag risico op de vijf risico/behoeften gebieden (45% tot 77% van de jongens) bleven laag in risico en namen niet toe tijdens de 18 maanden follow-up periode. De trajecten met hoog risico op de vijf risico/behoeften gebieden (20% tot 37% van het sample), lieten een zeer gelimiteerde afname of geen verandering zien. Slechts voor een klein deel van de jongeren was een duidelijke verandering zichtbaar op de verschillende risico/behoeften gebieden: tussen de 5% en 13% van de steekproef had een sterke afname in risico/behoeften gedurende de 18-maandelijkse periode, terwijl 5% een sterke toename liet zien. De resultaten die in dit hoofdstuk zijn beschreven illustreren, in lijn met criminologische ontwikkeling en levensloop theorieën, dat ontwikkelingstrajecten op basis van risico en behoeften heel verschillend kunnen zijn in hun ontwikkeling over tijd. Gezien de grote groep jongeren die geen verandering laat zien, indiceren de resultaten in dit hoofdstuk indiceren mogelijk ook dat de risico- en beschermende factoren van de SAVRY beperkt zijn in hun capaciteit om verandering over de tijd te meten.   In Hoofdstuk 5 is een longitudinale studie gepresenteerd naar de heterogeniteit van ontwikkelingstrajecten van vrouwelijke jeugddelinquenten op de vijf risico/behoeften gebieden uit hoofdstuk 2. Delinquent gedrag is lang voornamelijk een mannenzaak geweest en onderzoek naar meisjes, die in aanraking komen met de wet, is beperkt. Onderzoek naar de ontwikkeling van vrouwelijke jeugddelinquenten is relevant mede omdat de proportie van meisjes binnen de justitiële jeugdzorg, ondanks dat de jeugddelinquentie als geheel afneemt, toeneemt (zie Figuur 1 in de Summary and General discussion). Bovendien worden risicotaxatie-instrumenten in toenemende mate gebruikt voor de oriëntatie van behandeltrajecten, terwijl deze doorgaans op basis van mannelijke jeugddelinquenten ontwikkeld zijn. De steekproef bestond uit alle 826 vrouwelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 contact hadden met de Catalaanse justitiële jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact en/of een jeugddetentie en die binnen een termijn van 12 maanden tenminste twee opeenvolgende risicotaxaties op SAVRY hadden. Met behulp van latente groei curve analyses zijn er tussen de één en vier risico/behoeften trajecten geïdentificeerd. De trajecten die laag risico indiceerden (49-71%) bleven laag, terwijl hoog risico trajecten (21-41%) geen of beperkte verbetering lieten zien. Zes tot 10% van de steekproef liet een sterke vermindering in risico/behoeften zien, terwijl 5% een sterkte toename in risico/behoeften vertoonde. Deze studie laat zien dat ook vrouwelijke adolescenten geen eenduidige verandering laten zien tijdens hun traject door de justitiële jeugdzorg. De bevindingen suggereren verschillende subgroepen van vrouwelijke jeugddelinquenten elk met unieke criminogene behoeften die om verschillende begeleiding en behandeltrajecten vragen.   Algemene conclusies Op basis van dit proefschrift kunnen een aantal algemene conclusies worden getrokken. Ten eerste, risicotaxatie zou een integraal onderdeel moeten vormen van de supervisie en begeleiding van jeugddelinquenten. Deze taxaties zouden voorafgaande aan het ontwerp van de begeleidings- en behandelingsplannen moeten worden uitgevoerd en voorafgaande aan de evaluatie van het behandelplan worden herhaald om verandering in kaart te brengen. Herhaalde risicotaxaties zijn tevens een manier om meer zicht te krijgen op de transitie van de jongeren door de justitiële jeugdzorg. De resultaten van dit proefschrift laten zien dat risicotaxaties gedurende het traject van jongeren door de justitiële jeugdzorg belangrijke informatie op kan leveren voor het klinische proces. De resultaten laten onder meer zien dat de relevantie van risico- en beschermende factoren kan verschillen tussen jongens en meisjes, maar dat er tevens een aanzienlijke overlap bestaat. De verschillen en overeenkomsten in relevantie van risico- en beschermende factoren tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten kan leiden tot beter inzicht in de dynamiek die ten grondslag ligt aan delinquent gedrag, met name dat van meisjes. Ten tweede, de gepresenteerde studies geven inzicht dat jeugddelinquenten een heterogene groep vormen. De resultaten indiceren dat zowel jongens als meisjes bestaan uit diverse subgroepen gebaseerd op variërende behoeften en risico’s. Deze bevindingen benadrukken dat jeugddelinquenten met verschillende risiconiveaus en variërende criminogene behoeften, verschillende typen interventies nodig hebben met variërende intensiteit. Ook tijdens de transitie door de justitiële jeugdzorg vertoonden adolescenten heterogene veranderingspatronen die zowel verbetering als achteruitgang aanduidden. Echter, het meest gebruikelijke patroon was geen verandering gedurende de interventie. Ten derde, in de laatste jaren is er belangrijke vooruitgang geboekt binnen de risicotaxatie en het risicomanagement in de justitiële jeugdzorg in termen van het identificeren van relevantie risico- en beschermende factoren. De vooruitgang die in cross-sectioneel onderzoek is gemaakt, lijkt echter niet te worden bevestigd in longitudinaal onderzoek, waar dezelfde personen gedurende een periode van tijd worden gevolgd. Longitudinale studies zijn belangrijk om te bevestigen of behandelstrategieën ter vermindering van het recidiverisico, gebaseerd op risico- en beschermende factoren of risico/behoeften gebieden, inderdaad samenhangen met een reductie in delinquent gedrag, of het stoppen daarmee. Het veld van risicotaxatie en risicomanagement staat voor de uitdaging om aan te tonen dat dynamische risico- en beschermende factoren samenhangen met een reductie in of het stoppen met delinquent gedrag.  

AB - Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Van 2005 tot en met 2009 is een gestructureerde risicotaxatie-methode geïmplementeerd in de gehele Catalaanse justitiële jeugdzorg. Door middel van deze implementatie is nagestreefd om: A) de risicotaxaties van de professionals te verbeteren; B) conform de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta (2010) de interventies meer te oriënteren op relevante risico- en beschermende factoren; en C) de communicatie tussen professionals (tussen en binnen de verschillende sectoren van de jeugdzorg) te verbeteren. Als risicotaxatie-instrument is gekozen voor de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY; Borum, Bartel & Forth, 2003; Spaans/Catalaanse vertaling; Vallès & Hilterman, 2006); dit instrument werkt volgens de methode van Structured Professional Judgment. Dit proefschrift betreft onderzoek naar de data die gegenereerd zijn tijdens en na de implementatie van de SAVRY in de Catalaanse justitiële jeugdzorg. De doelstellingen van het proefschrift waren het onderzoeken van A) de predictieve validiteit van SAVRY en andere risicotaxatie-instrumenten in de Catalaanse context; B) het testen van sekse verschillen in de relevantie van de SAVRY risico- en beschermende factoren; C) het onderzoeken van subgroepen van jongeren op basis van hun profiel van risico- en beschermende factoren, alsmede de transitie tussen die subgroepen; en D) het identificeren van heterogene ontwikkelingstrajecten gedurende de supervisie door de reclassering op basis van SAVRY risicotaxaties bij zowel jongens als meisjes.   Samenvatting van de hoofdstukken In Hoofdstuk 1 wordt het onderzoek naar de predictieve validiteit, betrouwbaarheid en interne consistentie van de Structured Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY), de Youth Level of Service/Case Management Inventory (YLS/CMI), en de Psychopathy Checklist: Youth Version (PCL:YV) in Catalonië gerapporteerd. Dit onderzoek was het eerste prospectieve onderzoek naar de betrouwbaarheid en validatie van risicotaxatie-instrumenten in Spanje. In de studie is het verschil in de voorspellende waarde tussen de drie instrumenten onderling vergeleken. Tevens is een vergelijking gemaakt met het ongestructureerde oordeel van de reclasseringsmedewerker en de zelfbeoordeling van de jongere. Als uitkomstmaat is zelfrapportage van delinquent gedrag gebruikt, met een follow-up periode van één jaar. Van de oorspronkelijke steekproef van 145 jongeren met een verplicht reclasseringscontact zijn er tijdens de follow-up meting 105 (72,4%) opnieuw geïnterviewd. Van deze 105 jongeren liet 81,9% weten tijdens de follow-up periode opnieuw een (gewelddadig of niet gewelddadig) strafrechtelijk feit te hebben gepleegd en rapporteerde 65,4% herhaling van gewelddadig gedrag. De betrouwbaarheid tussen beoordelaars voor de drie instrumenten varieerde van laag tot uitstekend. Voor de SAVRY was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars binnen aanvaardbare grenzen en vergelijkbaar met de resultaten van eerder onderzoek. De betrouwbaarheid van de PCL: YV totaal score en van de gedrags- en antisociale facetten was goed. De interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid was echter laag voor de interpersoonlijke en affectieve facetten. Tenslotte was de interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid van meerdere sub-schalen van de YLS/CMI (Onderwijs/Werkgelegenheid, Substantie Misbruik, Vrije tijd/Recreatie, Persoonlijkheid/Gedrag, en Attitudes/Oriëntatie) laag, voor de overige sub-schalen van de YLS/CMI was de betrouwbaarheid tussen beoordelaars aanvaardbaar. De interne consistentie was goed voor de sub-schalen van SAVRY, met uitzondering van de Sociaal/Contextuele sub-schaal. Voor vier van de acht sub-schalen van de YLS/CMI was de interne consistentie goed; voor de vier overige sub-schalen was deze echter onder de waarde van .70. De vier sub-schalen van de PCL: YV hadden een goede interne consistentie. De drie instrumenten voorspelden de zelf gerapporteerde recidive met een gemiddelde tot goede nauwkeurigheid, variërend van AUC (area under the curve) = .75 (SAVRY risico totaal ), AUC = .63 (SAVRY beschermend totaal), AUC = .68 (SAVRY eindoordeel), AUC = .73 (YLS/CMI totaal score) en AUC = .72 (PCL:YV totaal score). De ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers (AUC = .61) en de jongeren zelf (AUC = .58) hadden geen significante voorspellende waarde, terwijl de SAVRY totaal score significant beter voorspelde in vergelijking met de ongestructureerde oordelen van de reclasseringswerkers en de jongeren. De beschermende factoren van de SAVRY en het eindoordeel van de SAVRY voegden geen voorspellende waarde toe aan de SAVRY risico totaalscores. De resultaten van deze studie laten zien dat SAVRY een betrouwbaar en valide instrument is en meerwaarde heeft voor de risicotaxatie in de context van de Catalaanse justitiële jeugdzorg.   In Hoofdstuk 2 is een vergelijking gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten op basis van de risico- en beschermende factoren van de SAVRY. Risicotaxatie-instrumenten zijn hoofdzakelijk ontwikkeld voor mannelijke jeugddelinquenten, maar de groep vrouwelijke adolescenten binnen de justitiële jeugdzorg neemt langzaam maar zeker toe. Aangezien risicotaxatie in toenemende mate wordt gebruikt ter oriëntatie van behandeltrajecten zijn mogelijke verschillen in relevantie van risico- en beschermende factoren voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten belangrijk in verband met het verbeteren van de preventie van toekomstig delinquent gedrag. De onderzoeksgroep bestonden uit een constructie- en een validatie steekproef. In de constructie steekproef waren alle jongeren (jongens: n = 3596, meisjes n = 466) opgenomen met een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie en die tussen 2006 en 2011 minstens twee achtereenvolgende keren met de SAVRY waren beoordeeld. De validatie steekproef bestond uit alle jongeren (jongens: n = 2433, meisjes n = 357) die tussen 2011 en 2014 minimaal twee achtereenvolgende keren met behulp van de SAVRY waren beoordeeld. Met behulp van een exploratieve factoranalyse van de risico- en beschermende items van de SAVRY in de constructie steekproef zijn factormodellen voor beide seksen geconstrueerd. Voor zowel jongens als meisjes konden vijf factoren worden onderscheiden: Antisociaal gedrag, Familieproblemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie. Vervolgens zijn deze factormodellen gevalideerd in confirmatieve factoranalyse op basis van de validatie steekproef. In de vergelijking van de factoren tussen de seksen werd gevonden dat deze significant verschillend waren; sommige items van de SAVRY pasten voor jongens beter in een andere factor dan voor meisjes (zie de Figuren 1 en 2 in hoofdstuk 2 en Figuur 1 in hoofdstuk 3). Echter, er was ook een aanzienlijke overlap tussen de modellen voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten. De vijf factoren hadden een goede interne consistentie voor beide seksen (tussen 0,71 - 0,81 voor jongens en tussen 0,70 - 0,82 voor meisjes). Uit dit hoofdstuk blijkt dat het construeren van empirisch gevalideerde factoren, bestaande uit risico- en beschermende SAVRY-items apart voor mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten, clinici kan ondersteunen in het identificeren van sekse specifieke begeleidings- en/of behandelingsmogelijkheden.   In Hoofdstuk 3 is de heterogeniteit in risico- en beschermende factoren van de SAVRY onderzocht in een populatie van mannelijke (n = 4267) en vrouwelijke (n = 661) jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2011 contact hadden met de Catalaanse justitiële jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact of jeugddetentie. In een eerste stap van de analyses is het aantal latente klassen geschat. In de tweede stap is bepaald welke klasse het beste paste bij elke jongen en meisje. In de derde stap is de kans op transitie over tijd tussen de klassen onderzocht. Voor de mannelijke jeugddelinquenten werden vijf latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (36%); (b) lage-matige risico’s/behoeften (26%); (c) matige risico’s/behoeften (11%); (d) matige-hoge risico’s/behoeften (19%); en (e) hoge risico’s/behoeften (8%). Voor de vrouwelijke jongeren werden drie latente klassen onderscheiden: (a) lage risico’s/behoeften (30%); (b) gematigde risico’s/behoeften (51%); en (c) hoge risico’s/behoeften (19%). Vervolgens is geanalyseerd in welke mate jongeren gedurende een periode van 12 maanden van latente klasse veranderden. De resultaten indiceerden dat deze transitie tussen de latente klassen gering was, 74-81% van de jongens en 77-95% van de meisjes veranderden niet van klasse. Eerdere gewelddadige delicten discrimineerden niet tussen drie van de vijf subgroepen van mannelijke adolescenten, terwijl voor geen van de drie subgroepen van meisjes eerdere gewelddadige delicten verschillend waren. De recidive data was proportioneel verdeeld voor de risico/behoefte niveaus van de verschillende latente klassen: klassen met hoger risico lieten meer recidive zien in vergelijking met klassen met lager risico. Deze proportionaliteit is in lijn met de risk-need-responsivity principes van Andrews en Bonta. Deze bevindingen tezamen suggereren dat het strafrechtelijk verleden een onvoldoende indicator is voor de kans op recidive, met name voor vrouwelijke jeugddelinquenten.   In Hoofdstuk 4 zijn aan de hand van een longitudinale studie de ontwikkelingstrajecten op basis van risico- en beschermende factoren van de SAVRY van adolescente jongens beschreven (Antisociaal gedrag, Familie problemen, Persoonlijkheidskenmerken, Sociale steun, en Behandelmotivatie). De SAVRY factoren zijn geclusterd in vijf risico en behoefte gebieden zoals in Hoofdstuk 2 is beschreven. De steekproef bestond uit 5205 mannelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 een verplicht reclasseringscontact en/of jeugddetentie hadden binnen de Catalaanse justitiële jeugdzorg. Het bestaan van verschillende ontwikkelingstrajecten is onderzocht via latente groeicurve analyses. De relatie tussen justitiële en sociaal-demografische variabelen en de verschillende trajecten is onderzocht via multinomiale logistische regressie analyse. In elk van de risico- en behoefte gebieden zijn tussen de drie tot vier verschillende ontwikkelingstrajecten onderscheiden (zie Figuur 2 op pagina 112) die varieerden in risiconiveau en verandering over tijd. De trajecten met laag risico op de vijf risico/behoeften gebieden (45% tot 77% van de jongens) bleven laag in risico en namen niet toe tijdens de 18 maanden follow-up periode. De trajecten met hoog risico op de vijf risico/behoeften gebieden (20% tot 37% van het sample), lieten een zeer gelimiteerde afname of geen verandering zien. Slechts voor een klein deel van de jongeren was een duidelijke verandering zichtbaar op de verschillende risico/behoeften gebieden: tussen de 5% en 13% van de steekproef had een sterke afname in risico/behoeften gedurende de 18-maandelijkse periode, terwijl 5% een sterke toename liet zien. De resultaten die in dit hoofdstuk zijn beschreven illustreren, in lijn met criminologische ontwikkeling en levensloop theorieën, dat ontwikkelingstrajecten op basis van risico en behoeften heel verschillend kunnen zijn in hun ontwikkeling over tijd. Gezien de grote groep jongeren die geen verandering laat zien, indiceren de resultaten in dit hoofdstuk indiceren mogelijk ook dat de risico- en beschermende factoren van de SAVRY beperkt zijn in hun capaciteit om verandering over de tijd te meten.   In Hoofdstuk 5 is een longitudinale studie gepresenteerd naar de heterogeniteit van ontwikkelingstrajecten van vrouwelijke jeugddelinquenten op de vijf risico/behoeften gebieden uit hoofdstuk 2. Delinquent gedrag is lang voornamelijk een mannenzaak geweest en onderzoek naar meisjes, die in aanraking komen met de wet, is beperkt. Onderzoek naar de ontwikkeling van vrouwelijke jeugddelinquenten is relevant mede omdat de proportie van meisjes binnen de justitiële jeugdzorg, ondanks dat de jeugddelinquentie als geheel afneemt, toeneemt (zie Figuur 1 in de Summary and General discussion). Bovendien worden risicotaxatie-instrumenten in toenemende mate gebruikt voor de oriëntatie van behandeltrajecten, terwijl deze doorgaans op basis van mannelijke jeugddelinquenten ontwikkeld zijn. De steekproef bestond uit alle 826 vrouwelijke jeugddelinquenten die tussen 2006 en 2014 contact hadden met de Catalaanse justitiële jeugdzorg vanwege een verplicht reclasseringscontact en/of een jeugddetentie en die binnen een termijn van 12 maanden tenminste twee opeenvolgende risicotaxaties op SAVRY hadden. Met behulp van latente groei curve analyses zijn er tussen de één en vier risico/behoeften trajecten geïdentificeerd. De trajecten die laag risico indiceerden (49-71%) bleven laag, terwijl hoog risico trajecten (21-41%) geen of beperkte verbetering lieten zien. Zes tot 10% van de steekproef liet een sterke vermindering in risico/behoeften zien, terwijl 5% een sterkte toename in risico/behoeften vertoonde. Deze studie laat zien dat ook vrouwelijke adolescenten geen eenduidige verandering laten zien tijdens hun traject door de justitiële jeugdzorg. De bevindingen suggereren verschillende subgroepen van vrouwelijke jeugddelinquenten elk met unieke criminogene behoeften die om verschillende begeleiding en behandeltrajecten vragen.   Algemene conclusies Op basis van dit proefschrift kunnen een aantal algemene conclusies worden getrokken. Ten eerste, risicotaxatie zou een integraal onderdeel moeten vormen van de supervisie en begeleiding van jeugddelinquenten. Deze taxaties zouden voorafgaande aan het ontwerp van de begeleidings- en behandelingsplannen moeten worden uitgevoerd en voorafgaande aan de evaluatie van het behandelplan worden herhaald om verandering in kaart te brengen. Herhaalde risicotaxaties zijn tevens een manier om meer zicht te krijgen op de transitie van de jongeren door de justitiële jeugdzorg. De resultaten van dit proefschrift laten zien dat risicotaxaties gedurende het traject van jongeren door de justitiële jeugdzorg belangrijke informatie op kan leveren voor het klinische proces. De resultaten laten onder meer zien dat de relevantie van risico- en beschermende factoren kan verschillen tussen jongens en meisjes, maar dat er tevens een aanzienlijke overlap bestaat. De verschillen en overeenkomsten in relevantie van risico- en beschermende factoren tussen mannelijke en vrouwelijke jeugddelinquenten kan leiden tot beter inzicht in de dynamiek die ten grondslag ligt aan delinquent gedrag, met name dat van meisjes. Ten tweede, de gepresenteerde studies geven inzicht dat jeugddelinquenten een heterogene groep vormen. De resultaten indiceren dat zowel jongens als meisjes bestaan uit diverse subgroepen gebaseerd op variërende behoeften en risico’s. Deze bevindingen benadrukken dat jeugddelinquenten met verschillende risiconiveaus en variërende criminogene behoeften, verschillende typen interventies nodig hebben met variërende intensiteit. Ook tijdens de transitie door de justitiële jeugdzorg vertoonden adolescenten heterogene veranderingspatronen die zowel verbetering als achteruitgang aanduidden. Echter, het meest gebruikelijke patroon was geen verandering gedurende de interventie. Ten derde, in de laatste jaren is er belangrijke vooruitgang geboekt binnen de risicotaxatie en het risicomanagement in de justitiële jeugdzorg in termen van het identificeren van relevantie risico- en beschermende factoren. De vooruitgang die in cross-sectioneel onderzoek is gemaakt, lijkt echter niet te worden bevestigd in longitudinaal onderzoek, waar dezelfde personen gedurende een periode van tijd worden gevolgd. Longitudinale studies zijn belangrijk om te bevestigen of behandelstrategieën ter vermindering van het recidiverisico, gebaseerd op risico- en beschermende factoren of risico/behoeften gebieden, inderdaad samenhangen met een reductie in delinquent gedrag, of het stoppen daarmee. Het veld van risicotaxatie en risicomanagement staat voor de uitdaging om aan te tonen dat dynamische risico- en beschermende factoren samenhangen met een reductie in of het stoppen met delinquent gedrag.  

M3 - Doctoral Thesis

SN - 978-84-697-7106-8

PB - Don't worry producción gráfica s.l.

CY - Barcelona

ER -

Hilterman ELB. Going in and out of offending: Developmental aspects of risk assessment and juvenile offenders. Barcelona: Don't worry producción gráfica s.l., 2017. 241 p.