Abstract
Op 24 maart 2026 oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2026:1786) over een geschil omtrent bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. De bestuurder zou zijn taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW. De curator stelde dat de bestuurder de verlieslatende BV te lang heeft voortgezet zonder passende maatregelen te nemen om het tij te keren. De bestuurder had eerder het faillissement moeten aanvragen. Het hof verwerpt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Deze blog bespreekt kritisch wat nu precies vereist is voor ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ in de zin van artikel 2:248 BW.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Publisher | COBE | Corporate litigation Bestuurdersaansprakelijkheid Enquêteprocedure |
| Media of output | Online |
| Publication status | Published - 20 Apr 2026 |
Keywords
- Kennelijk onbehoorlijk bestuur
- Onbehoorlijk bestuur
- art. 2:248 BW
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver