Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Landelijke idylle en industriedorp: Dongen in de lange negentiende eeuw (1800-1920)

Research output: ThesisDoctoral Thesis

Abstract

Deze studie onderzoekt op microniveau de historische transitie van het dorp Dongen tussen 1800 en 1920, van een overwegend agrarische gemeenschap naar een industriedorp waarin de leder- en de schoenindustrie centraal stonden. Uniek aan dit onderzoek is de gecombineerde analyse van sociaaleconomische en kunsthistorische ontwikkelingen. Tijdens de ontwikkeling van een agrarisch naar een industriedorp was Dongen tevens een inspiratiebron voor nationale en internationale beeldend kunstenaars. Zij verbeeldden het dorp en zijn inwoners op manieren die aansluiten bij de kunststromingen van de Romantiek en het Realisme. De centrale onderzoeksvraag richt zich op de aard, oorzaken en dynamiek van deze transitie, de oorsprong ervan en de onderlinge samenhang tussen industriële ontwikkeling en kunstzinnige representatie. Daarbij wordt expliciet onderzocht in hoeverre deze verbeelding een realistische afspiegeling vormt van de sociaaleconomische werkelijkheid.

De ontwikkelingen in Dongen worden geplaatst in een bredere regionale, provinciale, nationale en internationale context. Door gebruik te maken van bestaande historische theorieën en modellen draagt het onderzoek bij aan de sociaaleconomische en cultuurhistorische geschiedschrijving van Noord-Brabant in de lange negentiende eeuw. Methodologisch is voor het sociaaleconomische luik de DESTEP-ordening toegepast, waarbij demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politiek-juridische factoren systematisch zijn geanalyseerd. Deze benadering maakt inzichtelijk hoe deze factoren elkaar beïnvloedden en gezamenlijk de industrialisatie vormgaven.

Het demografisch onderzoek toont een samenhang tussen bevolkingsgroei en de ontwikkeling van de leder- en schoenindustrie. Tussen 1800 en 1850 groeide de bevolking van circa 2.500 naar meer dan 3.500 inwoners, terwijl tussen 1850 en 1920 sprake was van een forse verdere groei tot circa 7.700 inwoners. Deze groei werd grotendeels gedragen door natuurlijke aanwas, mede mogelijk gemaakt door de epidemiologische transitie, gekenmerkt door structurele dalende sterftecijfers (vooral van baby’s en kinderen) en dalende infectieziekten door verbeterde hygiënische omstandigheden. Rond 1900 zien we een modernisering van het demografisch patroon door betere economische perspectieven die leidden tot aanpassingen in het huwelijksgedrag en een meer bewuste keuze van het aantal kinderen per gezin, die vallen onder de noemer van de eerste demografische transitie. De migratiebewegingen in Dongen hingen sterk samen met conjuncturele schommelingen in de leder- en schoenindustrie.

Economisch gezien kende Dongen een vroege vorm van proto-industrialisatie. Archiefmateriaal en literatuur wijzen erop dat dat al aan het einde van de achttiende eeuw sprake was van surplusproductie in de leder- en schoennijverheid. De overgang van huisnijverheid naar fabrieksmatige productie verliep geleidelijk en ongelijkmatig. De agrarische sector bleef tot circa 1850 dominant, waarna de leder- en de schoenindustrie steeds belangrijker werden. Deze ontwikkeling past binnen bredere patronen van plattelandsindustrialisatie zoals beschreven door onder anderen Mokyr, Mendels en Kriedte, Medick en Schlumbohm. Dongen onderscheidde zich echter door zijn vroege en sterke internationale oriëntatie van de lederhandel.

De industrialisatie had ingrijpende gevolgen voor de sociale structuur. De relatief homogene agrarische gemeenschap transformeerde in een gelaagde samenleving met een kleine economische elite, een middenlaag en een brede arbeidersklasse. De sociale ongelijkheid manifesteerde zich in woonomstandigheden, inkomensverschillen en de toegang tot bestuurlijke en maatschappelijke posities. De katholieke kerk speelde een disciplinerende rol in het sociale leven en beïnvloedde arbeidsverhoudingen, onder meer door haar terughoudendheid ten aanzien van vrouwenarbeid in fabrieken. Arbeidsconflicten, loonongelijkheid en praktijken zoals gedwongen winkelnering versterkten de machtspositie van werkgevers en vertraagden de emancipatie van werknemers. De organisatiegraad van arbeiders in Dongen bleef tot het begin van de twintigste eeuw laag, mede door controle van zowel de fabrikanten als de geestelijkheid.

Technologisch verliep de industrialisatie in Dongen in fasen, met drie mechanisatiegolven in zowel de schoen- als de lederindustrie. Innovaties zoals de stikmachine, de zwikmachine en nieuwe looitechnieken, waaronder chroomlooien, verhoogden de productiviteit, maar hielden tegelijkertijd oude productievormen in stand. De trage adoptie van nieuwe technologieën en de afwachtende houding van ondernemers droegen bij aan een gefragmenteerde industrialisatie. Ook de energietransitie van stoom naar elektriciteit voltrok zich geleidelijk.

Ecologisch leidde de industrialisatie tot aanzienlijke milieubelasting, met name door lozingen in de rivier de Donge. De lokale overheid stelde economische belangen lange tijd boven milieubescherming. Politiek-juridisch kenmerkte de periode zich door een liberale terughoudendheid van de overheid, wat zowel kansen als beperkingen met zich meebracht voor de industriële ontwikkeling. Tekortschietende infrastructuur en bestuurlijke zwakte beperkten de economische groeimogelijkheden in het dorp.

Parallel aan deze sociaaleconomische transitie ontwikkelde Dongen zich tot een kunstdorp. Vanaf circa 1830 werd het dorp bezocht door kunstenaars, die beïnvloed door academische tradities, en vervolgens door kunstenaarsnetwerken, mede beïnvloed door de School van Barbizon, het landelijk leven in en rond Dongen vastlegden. Sleutelfiguren zoals Constant Huijsmans en in de tweede helft van de negentiende eeuw August Allebé, Max Liebermann en Jan Pieter Veth speelden een centrale rol in de kunsthistorische verbeelding van Dongen. Hoewel deze kunstenaars zich aanvankelijk lieten inspireren door het landschap en het vee en na 1850 door de dagelijkse realiteit, bleef de industrialisatie buiten beeld.

Vanaf circa 1870 liepen de kunstzinnige verbeelding en de sociaaleconomische werkelijkheid steeds verder uiteen. Terwijl Dongen transformeerde tot een modern industriedorp, bleven kunstenaars een idyllisch en nostalgisch beeld presenteren. Rond de eeuwwisseling verlieten de meeste schilders het dorp, mede doordat de industrialisatie het schilderachtige karakter aantastte en kunstenaars de voorkeur gaven aan dorpen die hun idyllische schoonheid hadden behouden. De fotografie nam geleidelijk de rol van de schilderkunst over, maar ook fotografen meden aanvankelijk de industriële werkelijkheid.

De studie concludeert dat het veronderstelde causale verband tussen industrialisatie en kunstzinnige verbeelding slechts gedeeltelijk standhoudt. Tot circa 1870 liepen beeld en werkelijkheid redelijk parallel, maar daarna ontstond een duidelijke discrepantie. Deze bevinding nuanceert de aanname over de relatie tussen economische modernisering en kunstzinnige expressie en onderstreept de complexiteit van historische transitieprocessen.
Original languageEnglish
QualificationDoctor of Philosophy
Awarding Institution
  • Tilburg University
Supervisors/Advisors
  • Bijsterveld, Arnoud-Jan, Promotor
  • Puschmann, P., Co-promotor, External person
Award date30 Jul 2026
Publisher
Print ISBNs978-94-6537-360-7
DOIs
Publication statusPublished - 2026

Fingerprint

Dive into the research topics of 'Landelijke idylle en industriedorp: Dongen in de lange negentiende eeuw (1800-1920)'. Together they form a unique fingerprint.

Cite this