Legaliteit en legitimiteit

Research output: Contribution to journalArticleScientific

Abstract

Door een aantal factoren is het gewicht van rechtsbeginselen toegenomen. De wetgever wil steeds meer de maatschappelijke ontwikkelingen sturen (modificatie overlopend in instrumentalisme), maar moet de formulering van de norm in concreto vaak aan het bestuur overlaten. De bestuurlijke rechtsvorming neemt toe, in welke kader het bestuur - in casu de belastingdienst - de eenheid in het beleid tracht te garanderen door regels op te stellen. Bovendien is er de afgelopen jaren sprake geweest van een forse uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de fiscus jegens de burger. De heerschappij van het recht impliceert binding aan wet en rechtsbeginselen. De opkomst van rechtsbeginselen heeft het relatieve gewicht van de wet wat verminderd. De wet is immers haar monopoliepositie kwijt geraakt. Deze relativering van het legaliteitsbeginsel leidt tot een hernieuwde behoefte aan legitimiteit; enkel legaliteit - hoe belangrijk ook - volstaat niet meer. Fundamentele normen, als rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, kunnen soms niet door de wet gegarandeerd worden. Het enorme belang en het grote gewicht van dergelijke rechtsnormen moeten dan via rechtsbeginselen in de rechtsorde tot uitdrukking komen. Beginselen winnen aan betekenis om het ontstane legitimiteitstekort te compenseren. Op de rechter rust hier een controlerende taak, die in gewicht toeneemt vanwege de steeds ruimere bevoegdheden van de belastingdienst ten opzichte van de belastingplichtige. De daaruit resulterende grotere juridische asymmetrie leidt in combinatie met het meer algemene bestuurscentrisme van de (`partijdige') wetgever tot een groeiende behoefte aan rechtsbescherming van de burger. De rechter is hiertoe vanuit rechtsstatelijk opzicht gelegitimeerd; er is echter ook sprake van een zekere - indirecte - democratische legitimatie. Het primaat van de wetgever bij de rechtsvorming blijft. Dat neemt niet weg dat aan de staatsrechtelijke idee van checks and balances inherent is dat het recht grenzen kan stellen aan de eventuele onevenwichtige rechtsvorming. In de democratische rechtsstaat dient de rechter dan in zulke uitzonderlijke gevallen de wet te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen.
Original languageDutch
Pages (from-to)9-19
Number of pages11
JournalNederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht
Issue number1
Publication statusPublished - 2001

Cite this

@article{74047cbb80db46fe938fa590073459ed,
title = "Legaliteit en legitimiteit",
abstract = "Door een aantal factoren is het gewicht van rechtsbeginselen toegenomen. De wetgever wil steeds meer de maatschappelijke ontwikkelingen sturen (modificatie overlopend in instrumentalisme), maar moet de formulering van de norm in concreto vaak aan het bestuur overlaten. De bestuurlijke rechtsvorming neemt toe, in welke kader het bestuur - in casu de belastingdienst - de eenheid in het beleid tracht te garanderen door regels op te stellen. Bovendien is er de afgelopen jaren sprake geweest van een forse uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de fiscus jegens de burger. De heerschappij van het recht impliceert binding aan wet en rechtsbeginselen. De opkomst van rechtsbeginselen heeft het relatieve gewicht van de wet wat verminderd. De wet is immers haar monopoliepositie kwijt geraakt. Deze relativering van het legaliteitsbeginsel leidt tot een hernieuwde behoefte aan legitimiteit; enkel legaliteit - hoe belangrijk ook - volstaat niet meer. Fundamentele normen, als rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, kunnen soms niet door de wet gegarandeerd worden. Het enorme belang en het grote gewicht van dergelijke rechtsnormen moeten dan via rechtsbeginselen in de rechtsorde tot uitdrukking komen. Beginselen winnen aan betekenis om het ontstane legitimiteitstekort te compenseren. Op de rechter rust hier een controlerende taak, die in gewicht toeneemt vanwege de steeds ruimere bevoegdheden van de belastingdienst ten opzichte van de belastingplichtige. De daaruit resulterende grotere juridische asymmetrie leidt in combinatie met het meer algemene bestuurscentrisme van de (`partijdige') wetgever tot een groeiende behoefte aan rechtsbescherming van de burger. De rechter is hiertoe vanuit rechtsstatelijk opzicht gelegitimeerd; er is echter ook sprake van een zekere - indirecte - democratische legitimatie. Het primaat van de wetgever bij de rechtsvorming blijft. Dat neemt niet weg dat aan de staatsrechtelijke idee van checks and balances inherent is dat het recht grenzen kan stellen aan de eventuele onevenwichtige rechtsvorming. In de democratische rechtsstaat dient de rechter dan in zulke uitzonderlijke gevallen de wet te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen.",
author = "J.L.M. Gribnau",
note = "Pagination: 11",
year = "2001",
language = "Dutch",
pages = "9--19",
journal = "Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht",
issn = "0921-3554",
number = "1",

}

Legaliteit en legitimiteit. / Gribnau, J.L.M.

In: Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht, No. 1, 2001, p. 9-19.

Research output: Contribution to journalArticleScientific

TY - JOUR

T1 - Legaliteit en legitimiteit

AU - Gribnau, J.L.M.

N1 - Pagination: 11

PY - 2001

Y1 - 2001

N2 - Door een aantal factoren is het gewicht van rechtsbeginselen toegenomen. De wetgever wil steeds meer de maatschappelijke ontwikkelingen sturen (modificatie overlopend in instrumentalisme), maar moet de formulering van de norm in concreto vaak aan het bestuur overlaten. De bestuurlijke rechtsvorming neemt toe, in welke kader het bestuur - in casu de belastingdienst - de eenheid in het beleid tracht te garanderen door regels op te stellen. Bovendien is er de afgelopen jaren sprake geweest van een forse uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de fiscus jegens de burger. De heerschappij van het recht impliceert binding aan wet en rechtsbeginselen. De opkomst van rechtsbeginselen heeft het relatieve gewicht van de wet wat verminderd. De wet is immers haar monopoliepositie kwijt geraakt. Deze relativering van het legaliteitsbeginsel leidt tot een hernieuwde behoefte aan legitimiteit; enkel legaliteit - hoe belangrijk ook - volstaat niet meer. Fundamentele normen, als rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, kunnen soms niet door de wet gegarandeerd worden. Het enorme belang en het grote gewicht van dergelijke rechtsnormen moeten dan via rechtsbeginselen in de rechtsorde tot uitdrukking komen. Beginselen winnen aan betekenis om het ontstane legitimiteitstekort te compenseren. Op de rechter rust hier een controlerende taak, die in gewicht toeneemt vanwege de steeds ruimere bevoegdheden van de belastingdienst ten opzichte van de belastingplichtige. De daaruit resulterende grotere juridische asymmetrie leidt in combinatie met het meer algemene bestuurscentrisme van de (`partijdige') wetgever tot een groeiende behoefte aan rechtsbescherming van de burger. De rechter is hiertoe vanuit rechtsstatelijk opzicht gelegitimeerd; er is echter ook sprake van een zekere - indirecte - democratische legitimatie. Het primaat van de wetgever bij de rechtsvorming blijft. Dat neemt niet weg dat aan de staatsrechtelijke idee van checks and balances inherent is dat het recht grenzen kan stellen aan de eventuele onevenwichtige rechtsvorming. In de democratische rechtsstaat dient de rechter dan in zulke uitzonderlijke gevallen de wet te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen.

AB - Door een aantal factoren is het gewicht van rechtsbeginselen toegenomen. De wetgever wil steeds meer de maatschappelijke ontwikkelingen sturen (modificatie overlopend in instrumentalisme), maar moet de formulering van de norm in concreto vaak aan het bestuur overlaten. De bestuurlijke rechtsvorming neemt toe, in welke kader het bestuur - in casu de belastingdienst - de eenheid in het beleid tracht te garanderen door regels op te stellen. Bovendien is er de afgelopen jaren sprake geweest van een forse uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de fiscus jegens de burger. De heerschappij van het recht impliceert binding aan wet en rechtsbeginselen. De opkomst van rechtsbeginselen heeft het relatieve gewicht van de wet wat verminderd. De wet is immers haar monopoliepositie kwijt geraakt. Deze relativering van het legaliteitsbeginsel leidt tot een hernieuwde behoefte aan legitimiteit; enkel legaliteit - hoe belangrijk ook - volstaat niet meer. Fundamentele normen, als rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, kunnen soms niet door de wet gegarandeerd worden. Het enorme belang en het grote gewicht van dergelijke rechtsnormen moeten dan via rechtsbeginselen in de rechtsorde tot uitdrukking komen. Beginselen winnen aan betekenis om het ontstane legitimiteitstekort te compenseren. Op de rechter rust hier een controlerende taak, die in gewicht toeneemt vanwege de steeds ruimere bevoegdheden van de belastingdienst ten opzichte van de belastingplichtige. De daaruit resulterende grotere juridische asymmetrie leidt in combinatie met het meer algemene bestuurscentrisme van de (`partijdige') wetgever tot een groeiende behoefte aan rechtsbescherming van de burger. De rechter is hiertoe vanuit rechtsstatelijk opzicht gelegitimeerd; er is echter ook sprake van een zekere - indirecte - democratische legitimatie. Het primaat van de wetgever bij de rechtsvorming blijft. Dat neemt niet weg dat aan de staatsrechtelijke idee van checks and balances inherent is dat het recht grenzen kan stellen aan de eventuele onevenwichtige rechtsvorming. In de democratische rechtsstaat dient de rechter dan in zulke uitzonderlijke gevallen de wet te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen.

M3 - Article

SP - 9

EP - 19

JO - Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht

JF - Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht

SN - 0921-3554

IS - 1

ER -