Abstract
X BV verkrijgt in 2018 de aandelen in Y BV, een onroerendezaakrechtspersoon (OZR). Tot de activa van Y BV behoort een kantoorpand waarvan Y BV het recht van erfpacht op de grond met daarop het pand heeft verkregen voor € 6,5 mln. In 2016 en 2017 wordt het pand verbouwd voor € 25,2 mln. en vanaf juni 2017 is het pand gefaseerd opgeleverd en door de in totaal negen à tien huurders in gebruik genomen. In geschil is of ter zake van de verkrijging overdrachtsbelasting is verschuldigd. Volgens X BV is de samenloopvrijstelling (art. 15 lid 1, onderdeel a Wet BRV) van toepassing omdat sprake is van in wezen nieuwbouw. De levering van het pand zou dan aan btw-heffing zijn onderworpen. Hof Amsterdam oordeelt, in navolging van Rechtbank Noord-Holland, dat alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie de conclusie kunnen rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De samenloopvrijstelling is niet van toepassing. X BV gaat in cassatie en beroept zich op het Promo 54-arrest (HvJ EU 9 maart 2023, C-239/22, FED 2023/65). Volgens X BV moet elke ingrijpende verbouwing van een bestaand gebouw voor de btw-heffing leiden tot een gelijkstelling met een nieuw gebouw.
De Hoge Raad acht het buiten redelijke twijfel dat zijn uitleg van art. 11 lid 3 (vanaf 2019: lid 5), onderdeel b Wet OB 1968 in overeenstemming is met de mogelijkheid die de Btw-richtlijn aan de lidstaten biedt om de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de ‘eerste ingebruikneming’ op de verbouwing van oude gebouwen. De Hoge Raad overweegt daarbij dat met deze uitleg van art. 11 lid 3 (vanaf 2019: lid 5), onderdeel b Wet OB 1968 de in het Promo 54-arrest bedoelde draagwijdte van het begrip ‘verbouwing’, zoals omlijnd door het Hof van Justitie EU, in acht wordt genomen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
De Hoge Raad acht het buiten redelijke twijfel dat zijn uitleg van art. 11 lid 3 (vanaf 2019: lid 5), onderdeel b Wet OB 1968 in overeenstemming is met de mogelijkheid die de Btw-richtlijn aan de lidstaten biedt om de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de ‘eerste ingebruikneming’ op de verbouwing van oude gebouwen. De Hoge Raad overweegt daarbij dat met deze uitleg van art. 11 lid 3 (vanaf 2019: lid 5), onderdeel b Wet OB 1968 de in het Promo 54-arrest bedoelde draagwijdte van het begrip ‘verbouwing’, zoals omlijnd door het Hof van Justitie EU, in acht wordt genomen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Article number | FED 2025/54 |
| Pages (from-to) | 20-26 |
| Number of pages | 7 |
| Journal | Fiscaal weekblad FED |
| Volume | 2025 |
| Issue number | 11 |
| Publication status | Published - 19 Jun 2025 |
Court cases
| Court | Hoge Raad |
|---|---|
| Date of judgement | 31/01/25 |
| ECLI ID | ECLI:NL:PHR:2024:1283 |
| ECLI ID | ECLI:NL:HR:2025:157 |
| Case number | 24/02923 |
Keywords
- btw
- omzetbelasting
- overdrachtsbelasting
- verbouwing
- in wezen nieuwbouw
- in-wezen-nieuwbouwcriterium
- OZR
- vastgoed
- kantoor
- eerste ingebruikneming
- nieuw gebouw
- oud gebouw
- samenloopvrijstelling
- doorkijkbenadering
- onroerende zaken
- Promo 54-arrest
- Kozuba-arrest
- Hotelarrest
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver