Vermogensbestanddelen in de Europese btw

Research output: ThesisDoctoral Thesis

528 Downloads (Pure)

Abstract

Onderzoeksvraag (probleemstelling)
Op welke wijzen speelt het concept van het vermogensbestanddeel een rol bij de interpretatie van het btw-recht en welke uitgangspunten gelden bij het voor btw-doeleinden individualiseren en kwalificeren van die vermogensbestanddelen?
Reden voor en/of belang van het onderzoek
Het juridisch onderzoek op het gebied van de Europese btw heeft zich tot op heden voornamelijk geconcentreerd op de twee pijlers die uitdrukkelijk in het heffingssysteem naar voren komen: het belastingsubject (de ondernemer) en het belastbaar feit (de prestatie). Op het gebied van de btw-rechtelijke interpretatie van objecten – en de btw-rechtelijke relaties tussen die objecten en subjecten – is slechts in beperkte mate onderzoek verricht, met uitzondering van specifieke dissertaties op het gebied van vastgoed. Het huidige onderzoek vult die leemte met een juridisch-dogmatische uiteenzetting van de situaties waarin en de wijze waarop dergelijke objecten en subject-object-relaties in het btw-rechtelijke interpretatieproces een aparte rol spelen. De theorievorming daarover draagt bij aan de verwetenschappelijking van het rechtsgebied. De daaropvolgende analyse van de relevante fundamentele begrippen uit de Europese btw-regelgeving identificeert bovendien enkele risico’s voor de uniforme Unierechtelijke begripsvorming, die van groot belang is voor de harmonisatiedoelstelling die aan het Europese btw-stelsel ten grondslag ligt.
Onderzoeksmethode
Het onderzoek heeft een juridisch-dogmatisch karakter en is verricht aan de hand van een analytische methode, die – waar het de kenmerken van het interpretatieproces zélf betreft – overloopt in een hermeneutische methode. Het bevat een kritische analyse van (de samenhang tussen) bestaande rechtsbronnen en rechtsgeleerde literatuur, met als methodologische uitgangspunten dat de rechtsvinding een rationele activiteit is, dat een rechtsgebied een intern coherent systeem vormt, en dat sprake is van een gelaagde normativiteit tussen het nationale recht, het secundaire Unierecht en het primaire Unierecht, waarin de Europese btw uiteindelijk haar grondslag vindt.
Belangrijkste conclusie(s)
Het concept van een vermogensbestanddeel en het concept van een verbruiksbelasting – zoals de Europese btw- zijn fundamenteel met elkaar verbonden, in die zin dat de heffing van een dergelijke belasting, die onbestaanbaar is zonder het fenomeen van de transactie, ondenkbaar is zonder eerst een idee van privaat vermogen in het menselijk denken te introduceren. Daarnaast speelt het concept van vermogensbestanddelen een rol bij het interpreteren van de uiteindelijk ontstane belastingwet: indien en voor zover de wetgever bij het formuleren van rechtsregels termen hanteert die betrekking hebben op (de eigenschappen van) het object of (de eigenschappen van) de subject-object-relatie, is aparte aandacht op dat niveau in het interpretatieproces onvermijdelijk. Bij het afbakenen van objecten voor btw-doeleinden staat het criterium van zelfstandige gebruiksmogelijkheden centraal, maar het perspectief van de groep gebruikers uit wiens oogpunt die mogelijkheden beoordeling vergen verandert al naar gelang de subgroep btw-regels die men interpreteert. De afbakening van objecten gaat in het interpretatieproces vooraf aan het klassieke leerstuk rond de eenheid van prestatie. De subject-object-relatie ‘macht om als eigenaar te beschikken’ kan, vanwege haar verwijzing naar het idee van eigendom, tot de introductie van een Unierechtelijk vermogensrecht onmogelijk een waarlijk Unierechtelijke inhoud krijgen. De subject-object-relatie ‘gebruik’ moet in het btw-recht niet worden begrepen als fysieke aanwending van goederen en diensten, maar als een abstract verband tussen input en output die enkel via het causaal redeneren van het belastingsubject tot stand komt.
Belangrijkste aanbeveling(en)
De belangrijkste conclusies van het onderzoek hebben de vorm van nuances of verbijzonderingen in de uitgangspunten die de bestaande rechtspraak en literatuur – vaak stilzwijgend – hanteren. De centrale aanbeveling is dus aan alle deelnemers aan het btw-rechtelijk interpretatieproces om zich duidelijker rekenschap te geven van de aparte interpretatie op het niveau van object en subject-object-relatie en de implicaties daarvan voor een proces van zorgvuldig gemotiveerde rechtsvinding.
Original languageDutch
Awarding Institution
  • Tilburg University
Supervisors/Advisors
  • van Kesteren, Herman, Promotor
  • van Norden, Gert-Jan, Promotor
Award date10 Jan 2023
Publication statusPublished - 10 Jan 2023

Cite this