Zorg(e)loze jeugd

Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren

Romy de Jong

Research output: ThesisDoctoral ThesisScientific

3 Downloads (Pure)

Abstract

Op 3 september promoveert Romy de Jong aan Tilburg University. Haar proefschrift ‘Zorg(e)loze jeugd. Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren’ verwijst naar jongeren die zich ontworstelen aan de zorg die eigenlijk nog niet gemist kan worden. De transitiejongeren (ook wel ‘care leavers’ genoemd) die in haar onderzoek centraal staan zijn jongmeerderjarige zorgverlaters, bij wie in verband met het onttrekken aan zorg de dringende noodzaak wordt gevoeld door hulpverleners om (ook) na het bereiken van de meerderjarigheid en na het vertrek uit de residentiële jeugdhulpverlening (in bijvoorbeeld de gesloten jeugdhulp of andere vormen van specialistische jeugdhulp) zorg te verlenen. Voortgezette gedwongen bescherming is voor deze jongeren lastig, omdat daartoe de juridische mogelijkheden dikwijls ontbreken. Immers, vrijwillige hulp wordt door hen meestal niet gezocht of door hen afgewezen en het jeugdbeschermingsrecht biedt voor hen helaas geen of onvoldoende mogelijkheden.

Bijzonder aan het proefschrift is dat de problematiek om deze jongeren toch de noodzakelijke hulp te kunnen bieden is onderzocht vanuit verschillende perspectieven. Naast een rechtswetenschappelijke analyse bestaat het onderzoek uit een sociaalwetenschappelijke en medisch-wetenschappelijke analyse van de transitieproblematiek. Vanuit de verbinding tussen deze wetenschappen is de onderzoeker tot diverse conclusies gekomen. De centrale bevinding is dat er zowel op niet-juridisch als juridisch niveau te weinig aandacht is voor het door haar belichtte fenomeen van de transitieproblematiek. Wel bestaat er een breed gedeelde wetenschappelijke consensus over het bestaan van een probleemgroep met transitieproblemen. Echter, er is ook (nog) veel onduidelijkheid dan wel onbekendheid over deze jongeren, omdat zij tot op heden nog niet als zodanig integraal onderwerp zijn geweest van onderzoek. Uit het onderzoek blijkt verder dat er – juridisch gezien – na het achttiende jaar geen adequate regelingen zijn voor een voortgezette bescherming van transitiejongeren op basis van ‘opvoedkundige grond’. In het proefschrift worden de huidige wettelijke mogelijkheden onderzocht op hun toepasbaarheid voor deze jongmeerderjarige probleemjongeren. De bescherming van transitiejongeren kan wel plaatsvinden op andere leeftijdsongevoelige juridische grondslagen, en de daarop gebaseerde wet-en regelgeving (zoals de Wet BOPZ, die per 2020 wordt vervangen door de Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang en de regels voor meerderjarigenbescherming), maar daarin ontbreekt de specifieke aandacht voor jongmeerderjarigen en – dus – ook voor transitiejongeren. Bovendien zijn de in die wetten geregelde grondslagen voor gedwongen hulpverlening zeer toegespitst en daarom niet toepasbaar voor een groot deel van de jongmeerderjarigen met problemen.

De centrale conclusie is dat voordat een juridische vertaling wordt gemaakt van het probleem, er eerst meer onderzoek zal moeten worden gedaan naar de kenmerken – overeenkomsten en verschillen – en de noodzakelijke behoeften van transitiejongeren. Daarnaast beveelt zij in haar proefschrift aan om gedurende een afgebakende periode op grond van een experimenteerbepaling te experimenteren met diverse modaliteiten van verplichte residentiële én andere zorg (bijvoorbeeld besloten, open en ambulante oplossingen) voor transitiejongeren. De uitkomsten daarvan zullen uitwijzen of de veronderstelde verplichte residentiële (of andere) hulp ook nodig en zinvol is of kan zijn, en zo ja, onder welke voorwaarden. Indien het experiment resulteert in wetenschappelijke zekerheid, zal een logische vervolgstap zijn dan dat met deze resultaten een basis wordt gelegd voor een nieuwe wettelijke regeling voor (gedwongen) voortgezette hulp aan transitiejongeren.
Het proefschrift is van belang voor professionals die vanuit de academie of de praktijk betrokken zijn bij de (al dan niet gedwongen) residentiële of andere jeugdhulpverlening voor jongeren met complexe meervoudige problemen.
Original languageDutch
QualificationDoctor of Laws
Awarding Institution
  • Tilburg University
Supervisors/Advisors
  • Vlaardingerbroek, P., Promotor
  • Vranken, J.B.M., Promotor
Award date3 Sep 2019
Publisher
Print ISBNs970 90 466 0990 3
Publication statusPublished - 1 Sep 2019

Cite this

@phdthesis{c9030299403b48f1b1cd9be6a8f8408b,
title = "Zorg(e)loze jeugd: Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren",
abstract = "Op 3 september promoveert Romy de Jong aan Tilburg University. Haar proefschrift ‘Zorg(e)loze jeugd. Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren’ verwijst naar jongeren die zich ontworstelen aan de zorg die eigenlijk nog niet gemist kan worden. De transitiejongeren (ook wel ‘care leavers’ genoemd) die in haar onderzoek centraal staan zijn jongmeerderjarige zorgverlaters, bij wie in verband met het onttrekken aan zorg de dringende noodzaak wordt gevoeld door hulpverleners om (ook) na het bereiken van de meerderjarigheid en na het vertrek uit de residenti{\"e}le jeugdhulpverlening (in bijvoorbeeld de gesloten jeugdhulp of andere vormen van specialistische jeugdhulp) zorg te verlenen. Voortgezette gedwongen bescherming is voor deze jongeren lastig, omdat daartoe de juridische mogelijkheden dikwijls ontbreken. Immers, vrijwillige hulp wordt door hen meestal niet gezocht of door hen afgewezen en het jeugdbeschermingsrecht biedt voor hen helaas geen of onvoldoende mogelijkheden.Bijzonder aan het proefschrift is dat de problematiek om deze jongeren toch de noodzakelijke hulp te kunnen bieden is onderzocht vanuit verschillende perspectieven. Naast een rechtswetenschappelijke analyse bestaat het onderzoek uit een sociaalwetenschappelijke en medisch-wetenschappelijke analyse van de transitieproblematiek. Vanuit de verbinding tussen deze wetenschappen is de onderzoeker tot diverse conclusies gekomen. De centrale bevinding is dat er zowel op niet-juridisch als juridisch niveau te weinig aandacht is voor het door haar belichtte fenomeen van de transitieproblematiek. Wel bestaat er een breed gedeelde wetenschappelijke consensus over het bestaan van een probleemgroep met transitieproblemen. Echter, er is ook (nog) veel onduidelijkheid dan wel onbekendheid over deze jongeren, omdat zij tot op heden nog niet als zodanig integraal onderwerp zijn geweest van onderzoek. Uit het onderzoek blijkt verder dat er – juridisch gezien – na het achttiende jaar geen adequate regelingen zijn voor een voortgezette bescherming van transitiejongeren op basis van ‘opvoedkundige grond’. In het proefschrift worden de huidige wettelijke mogelijkheden onderzocht op hun toepasbaarheid voor deze jongmeerderjarige probleemjongeren. De bescherming van transitiejongeren kan wel plaatsvinden op andere leeftijdsongevoelige juridische grondslagen, en de daarop gebaseerde wet-en regelgeving (zoals de Wet BOPZ, die per 2020 wordt vervangen door de Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang en de regels voor meerderjarigenbescherming), maar daarin ontbreekt de specifieke aandacht voor jongmeerderjarigen en – dus – ook voor transitiejongeren. Bovendien zijn de in die wetten geregelde grondslagen voor gedwongen hulpverlening zeer toegespitst en daarom niet toepasbaar voor een groot deel van de jongmeerderjarigen met problemen.De centrale conclusie is dat voordat een juridische vertaling wordt gemaakt van het probleem, er eerst meer onderzoek zal moeten worden gedaan naar de kenmerken – overeenkomsten en verschillen – en de noodzakelijke behoeften van transitiejongeren. Daarnaast beveelt zij in haar proefschrift aan om gedurende een afgebakende periode op grond van een experimenteerbepaling te experimenteren met diverse modaliteiten van verplichte residenti{\"e}le {\'e}n andere zorg (bijvoorbeeld besloten, open en ambulante oplossingen) voor transitiejongeren. De uitkomsten daarvan zullen uitwijzen of de veronderstelde verplichte residenti{\"e}le (of andere) hulp ook nodig en zinvol is of kan zijn, en zo ja, onder welke voorwaarden. Indien het experiment resulteert in wetenschappelijke zekerheid, zal een logische vervolgstap zijn dan dat met deze resultaten een basis wordt gelegd voor een nieuwe wettelijke regeling voor (gedwongen) voortgezette hulp aan transitiejongeren.Het proefschrift is van belang voor professionals die vanuit de academie of de praktijk betrokken zijn bij de (al dan niet gedwongen) residenti{\"e}le of andere jeugdhulpverlening voor jongeren met complexe meervoudige problemen.",
author = "{de Jong}, Romy",
year = "2019",
month = "9",
day = "1",
language = "Dutch",
isbn = "970 90 466 0990 3",
publisher = "Maklu Uitgevers",
school = "Tilburg University",

}

Zorg(e)loze jeugd : Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren. / de Jong, Romy.

Maklu Uitgevers, 2019. 480 p.

Research output: ThesisDoctoral ThesisScientific

TY - THES

T1 - Zorg(e)loze jeugd

T2 - Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren

AU - de Jong, Romy

PY - 2019/9/1

Y1 - 2019/9/1

N2 - Op 3 september promoveert Romy de Jong aan Tilburg University. Haar proefschrift ‘Zorg(e)loze jeugd. Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren’ verwijst naar jongeren die zich ontworstelen aan de zorg die eigenlijk nog niet gemist kan worden. De transitiejongeren (ook wel ‘care leavers’ genoemd) die in haar onderzoek centraal staan zijn jongmeerderjarige zorgverlaters, bij wie in verband met het onttrekken aan zorg de dringende noodzaak wordt gevoeld door hulpverleners om (ook) na het bereiken van de meerderjarigheid en na het vertrek uit de residentiële jeugdhulpverlening (in bijvoorbeeld de gesloten jeugdhulp of andere vormen van specialistische jeugdhulp) zorg te verlenen. Voortgezette gedwongen bescherming is voor deze jongeren lastig, omdat daartoe de juridische mogelijkheden dikwijls ontbreken. Immers, vrijwillige hulp wordt door hen meestal niet gezocht of door hen afgewezen en het jeugdbeschermingsrecht biedt voor hen helaas geen of onvoldoende mogelijkheden.Bijzonder aan het proefschrift is dat de problematiek om deze jongeren toch de noodzakelijke hulp te kunnen bieden is onderzocht vanuit verschillende perspectieven. Naast een rechtswetenschappelijke analyse bestaat het onderzoek uit een sociaalwetenschappelijke en medisch-wetenschappelijke analyse van de transitieproblematiek. Vanuit de verbinding tussen deze wetenschappen is de onderzoeker tot diverse conclusies gekomen. De centrale bevinding is dat er zowel op niet-juridisch als juridisch niveau te weinig aandacht is voor het door haar belichtte fenomeen van de transitieproblematiek. Wel bestaat er een breed gedeelde wetenschappelijke consensus over het bestaan van een probleemgroep met transitieproblemen. Echter, er is ook (nog) veel onduidelijkheid dan wel onbekendheid over deze jongeren, omdat zij tot op heden nog niet als zodanig integraal onderwerp zijn geweest van onderzoek. Uit het onderzoek blijkt verder dat er – juridisch gezien – na het achttiende jaar geen adequate regelingen zijn voor een voortgezette bescherming van transitiejongeren op basis van ‘opvoedkundige grond’. In het proefschrift worden de huidige wettelijke mogelijkheden onderzocht op hun toepasbaarheid voor deze jongmeerderjarige probleemjongeren. De bescherming van transitiejongeren kan wel plaatsvinden op andere leeftijdsongevoelige juridische grondslagen, en de daarop gebaseerde wet-en regelgeving (zoals de Wet BOPZ, die per 2020 wordt vervangen door de Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang en de regels voor meerderjarigenbescherming), maar daarin ontbreekt de specifieke aandacht voor jongmeerderjarigen en – dus – ook voor transitiejongeren. Bovendien zijn de in die wetten geregelde grondslagen voor gedwongen hulpverlening zeer toegespitst en daarom niet toepasbaar voor een groot deel van de jongmeerderjarigen met problemen.De centrale conclusie is dat voordat een juridische vertaling wordt gemaakt van het probleem, er eerst meer onderzoek zal moeten worden gedaan naar de kenmerken – overeenkomsten en verschillen – en de noodzakelijke behoeften van transitiejongeren. Daarnaast beveelt zij in haar proefschrift aan om gedurende een afgebakende periode op grond van een experimenteerbepaling te experimenteren met diverse modaliteiten van verplichte residentiële én andere zorg (bijvoorbeeld besloten, open en ambulante oplossingen) voor transitiejongeren. De uitkomsten daarvan zullen uitwijzen of de veronderstelde verplichte residentiële (of andere) hulp ook nodig en zinvol is of kan zijn, en zo ja, onder welke voorwaarden. Indien het experiment resulteert in wetenschappelijke zekerheid, zal een logische vervolgstap zijn dan dat met deze resultaten een basis wordt gelegd voor een nieuwe wettelijke regeling voor (gedwongen) voortgezette hulp aan transitiejongeren.Het proefschrift is van belang voor professionals die vanuit de academie of de praktijk betrokken zijn bij de (al dan niet gedwongen) residentiële of andere jeugdhulpverlening voor jongeren met complexe meervoudige problemen.

AB - Op 3 september promoveert Romy de Jong aan Tilburg University. Haar proefschrift ‘Zorg(e)loze jeugd. Een multidisciplinair onderzoek naar een juridische grondslag voor de gedwongen bescherming van transitiejongeren’ verwijst naar jongeren die zich ontworstelen aan de zorg die eigenlijk nog niet gemist kan worden. De transitiejongeren (ook wel ‘care leavers’ genoemd) die in haar onderzoek centraal staan zijn jongmeerderjarige zorgverlaters, bij wie in verband met het onttrekken aan zorg de dringende noodzaak wordt gevoeld door hulpverleners om (ook) na het bereiken van de meerderjarigheid en na het vertrek uit de residentiële jeugdhulpverlening (in bijvoorbeeld de gesloten jeugdhulp of andere vormen van specialistische jeugdhulp) zorg te verlenen. Voortgezette gedwongen bescherming is voor deze jongeren lastig, omdat daartoe de juridische mogelijkheden dikwijls ontbreken. Immers, vrijwillige hulp wordt door hen meestal niet gezocht of door hen afgewezen en het jeugdbeschermingsrecht biedt voor hen helaas geen of onvoldoende mogelijkheden.Bijzonder aan het proefschrift is dat de problematiek om deze jongeren toch de noodzakelijke hulp te kunnen bieden is onderzocht vanuit verschillende perspectieven. Naast een rechtswetenschappelijke analyse bestaat het onderzoek uit een sociaalwetenschappelijke en medisch-wetenschappelijke analyse van de transitieproblematiek. Vanuit de verbinding tussen deze wetenschappen is de onderzoeker tot diverse conclusies gekomen. De centrale bevinding is dat er zowel op niet-juridisch als juridisch niveau te weinig aandacht is voor het door haar belichtte fenomeen van de transitieproblematiek. Wel bestaat er een breed gedeelde wetenschappelijke consensus over het bestaan van een probleemgroep met transitieproblemen. Echter, er is ook (nog) veel onduidelijkheid dan wel onbekendheid over deze jongeren, omdat zij tot op heden nog niet als zodanig integraal onderwerp zijn geweest van onderzoek. Uit het onderzoek blijkt verder dat er – juridisch gezien – na het achttiende jaar geen adequate regelingen zijn voor een voortgezette bescherming van transitiejongeren op basis van ‘opvoedkundige grond’. In het proefschrift worden de huidige wettelijke mogelijkheden onderzocht op hun toepasbaarheid voor deze jongmeerderjarige probleemjongeren. De bescherming van transitiejongeren kan wel plaatsvinden op andere leeftijdsongevoelige juridische grondslagen, en de daarop gebaseerde wet-en regelgeving (zoals de Wet BOPZ, die per 2020 wordt vervangen door de Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang en de regels voor meerderjarigenbescherming), maar daarin ontbreekt de specifieke aandacht voor jongmeerderjarigen en – dus – ook voor transitiejongeren. Bovendien zijn de in die wetten geregelde grondslagen voor gedwongen hulpverlening zeer toegespitst en daarom niet toepasbaar voor een groot deel van de jongmeerderjarigen met problemen.De centrale conclusie is dat voordat een juridische vertaling wordt gemaakt van het probleem, er eerst meer onderzoek zal moeten worden gedaan naar de kenmerken – overeenkomsten en verschillen – en de noodzakelijke behoeften van transitiejongeren. Daarnaast beveelt zij in haar proefschrift aan om gedurende een afgebakende periode op grond van een experimenteerbepaling te experimenteren met diverse modaliteiten van verplichte residentiële én andere zorg (bijvoorbeeld besloten, open en ambulante oplossingen) voor transitiejongeren. De uitkomsten daarvan zullen uitwijzen of de veronderstelde verplichte residentiële (of andere) hulp ook nodig en zinvol is of kan zijn, en zo ja, onder welke voorwaarden. Indien het experiment resulteert in wetenschappelijke zekerheid, zal een logische vervolgstap zijn dan dat met deze resultaten een basis wordt gelegd voor een nieuwe wettelijke regeling voor (gedwongen) voortgezette hulp aan transitiejongeren.Het proefschrift is van belang voor professionals die vanuit de academie of de praktijk betrokken zijn bij de (al dan niet gedwongen) residentiële of andere jeugdhulpverlening voor jongeren met complexe meervoudige problemen.

M3 - Doctoral Thesis

SN - 970 90 466 0990 3

PB - Maklu Uitgevers

ER -